Art. 1
1. De Lid-Staten heffen , onder de in deze richtlijn omschreven voorwaarden , de beperkingen op van de verplaatsing en het verblijf van :
a) onderdanen van een Lid-Staat die zijn gevestigd of zich willen vestigen in een andere Lid-Staat ten einde daar een werkzaamheid , anders dan in loondienst , uit te oefenen of die er een dienst willen verrichten ;
b) onderdanen van Lid-Staten die zich naar een andere Lid-Staat willen begeven in de hoedanigheid van personen te wier behoeve een dienst wordt verricht ;
c) de echtgenoot en de kinderen beneden de 21 jaar van bovengenoemde onderdanen , ongeacht hun nationaliteit ;
d) de verwanten in opgaande of neergaande lijn van deze onderdanen en van hun echtgenoot , die te hunnen laste komen , ongeacht hun nationaliteit .
2. De Lid-Staten begunstigen de toelating van ieder ander familielid van de in lid 1 , sub a ) en b ) , bedoelde onderdanen of hun echtgenoot dat te hunnen laste komt of in het land van herkomst bij hen inwoont .