Rb. Rotterdam 8 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6995
16 beroepen wegens door eiser gesteld niet tijdig beslissen door Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond. Verzoek om ontheffing van griffierecht wegens betalingsonmacht. Naar het oordeel van de rechtbank komt eiser om verschillende redenen, waaronder misbruik van recht, geen beroep op betalingsonmacht toe. In deze zaken lijkt eiser niet het belang na te streven daadwerkelijk het contact met zijn minderjarige zoon te herstellen of relevante informatie over zijn zoon en de daarbij betrokken instanties te verkrijgen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in alle beroepen wegens niet tijdig beslissen reeds daar aan voorafgaand een besluit of andersoortige schriftelijke reactie van verweerster voorlag. Hoewel verweerster gelet op het verweerschrift en de overgelegde stukken geen verzendadministratie heeft bijgehouden, stelt de rechtbank vast dat verweerster alle correspondentie heeft gericht aan het juiste adres van eiser en dat het gaat om een grote hoeveelheid brieven die volgens verweerster aan eiser zijn gezonden. Uit deze en andere voorliggende zaken en ook uit zaken waarin eerder uitspraak is gedaan, kan worden afgeleid dat eiser meerdere malen beroep instelt wegens niet tijdig beslissen, nadat de betrokken instantie op de aanvraag of het bezwaar heeft beslist. Meer dan eens is daarbij sprake van een deugdelijke verzendadministratie door het bestuursorgaan, zoals in de uitspraak van heden in de zaak ROT 16/2313 en in de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:2073). Daar komt bij dat verweerster ter zitting onweersproken heeft gesteld dat brieven aan eiser niet meer aangetekend worden verzonden, omdat aangetekende brieven telkens door eiser werden geweigerd. Indien in de onderhavige zaken aangenomen zou moeten worden dat de verzending en de ontvangst van de vele brieven van verweerster niet aannemelijk is, blijkt uit de wijze waarop eiser in deze procedeert niettemin dat het hem uitsluitend te doen is om dwangsommen te incasseren. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiser in een deel van de gevallen herhaalde verzoeken aan verweerster heeft gedaan, dat hij heeft gepersisteerd in zijn beroepen, ook nadat aan hem door de griffie alle op de zaken betrekking hebbende stukken waren toegezonden (waaronder de door verweerster genomen besluiten op eisers verzoeken) en hij geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd tegen de besluiten van verweerster, zodat de beroepen niet mede zijn gericht tegen de genomen besluiten, terwijl hij voorts in al deze zaken ontheven wenst te worden van de verplichting griffierecht te voldoen. Eiser had gelet op het een en ander ook zijn beroepen kosteloos kunnen intrekken. In de verweerschriften van 19 juli 2016 en 23 juni 2017 heeft verweerster de rechtbank verzocht eiser in de proceskosten te veroordelen. Uit artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb volgt dat een natuurlijke persoon slechts in de proceskosten kan worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van misbruik van recht, ziet de rechtbank aanleiding dit verzoek in te willigen (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1987, en 27 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:799). Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 742,50 (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,-, wegingsfactor 1 voor de zwaarte van de zaken en wegingsfactor 1,5 vanwege het aantal zaken). De rechtbank heeft voor de weging van de afzonderlijke zaken aangeknoopt bij de wegingsfactor 1 (gemiddeld), omdat deze zaken in feite niet gaan om niet tijdig beslissen en de werkzaamheden voor verweerster, ook voor wat betreft de verdediging ter zitting, bewerkelijker is dan die bij de beantwoording van de eenvoudige vraag of al dan niet tijdig is beslist.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Rotterdam 26 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3208
- Rb. Rotterdam 21 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3041
- CBb 30 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:114
- Rb. Rotterdam 23 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2166
- Rb. Rotterdam 20 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2073
- ABRvS 27 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:799
- ABRvS 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:197
- CRvB 19 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3978
- ABRvS 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2730
- Rb. Rotterdam 29 september 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:7423
- ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1987
- ABRvS 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1140
- CRvB 6 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1305
- Rb. Den Haag 7 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:86
- Rb. Rotterdam 7 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:107
- Hof 's-Hertogenbosch 21 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1845
- ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:426
- Hof Den Haag 2 december 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4300
- ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129
- HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665