Rb. Rotterdam 21 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3041
De nota’s griffierecht waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd, hebben betrekking op twee beroepen wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat deze procedures niet inhoudelijk zijn behandeld, omdat eiser de nota’s griffierecht niet binnen de betaaltermijn heeft voldaan. De beroepen zijn niet-ontvankelijke verklaard en het daartegen ingediende verzet is ongegrond verklaard. Dit betekent dat de kosten waarvoor de bijzondere bijstand is aangevraagd, niet zijn gemaakt en ook niet meer kunnen worden gemaakt, omdat de betreffende beroepen inmiddels zijn geëindigd. Hieruit volgt dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een oordeel over de vraag of verweerder terecht zijn aanvragen van 6 juli 2015 en 30 juli 2015 buiten behandeling heeft gesteld. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat zijn procesbelang is gelegen in de vergoeding van de misgelopen dwangsommen in de procedures over het niet tijdig beslissen op zijn aanvragen, is de rechtbank van oordeel dat hierin geen procesbelang kan zijn gelegen, reeds omdat niet vaststaat dat ook daadwerkelijk dwangsommen zijn verbeurd.
De uitspraak op rechtspraak.nl