Rb. Rotterdam 8 april 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BM0507
Artikel 2:80 Wet op het financieel toezicht. AFM heeft met het bestreden besluit het bezwaar tegen de opgelegde boete wegens bemiddeling zonder vergunning en tegen vroegtijdige openbaarmaking van die boeteoplegging ongegrond verklaard. Met betrekking tot de inzet van het boete-instrument geldt een redelijkheidstoets, terwijl inzake de hoogte van de boete een volle beoordeling plaats heeft. De rechtbank voegt hier aan toe dat de redelijkheidstoets ter zake van de gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid een boete op te leggen wel “vol” te toetsen elementen kent. Zo zal de inzet van het instrument zonder meer onredelijk moeten worden geacht ingeval zich een rechtvaardigingsgrond voordoet, bij gebleken afwezigheid van iedere schuld en bij een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. Dergelijke omstandigheden doen zich niet voor. Geen rechtsregel staat er aan in de weg dat AFM, bij gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als neergelegd in artikel 1:81, derde lid, van de Wft (oud), mede acht slaat op de inkomsten die zijn behaald met de overtreding. Nu de rechtbank meent dat de boete in rechte stand kan houden, lag gelet op de tekst van artikel 1:97 van de Wft in beginsel de verplichting van AFM voor om tot publicatie van de boete over te gaan. De rechtbank wijst in dit verband op de vaste jurisprudentie van haar voorzieningenrechter, waaronder de uitspraken van 3 september 2008 (LJN BF1175), 28 januari 2010 (LJN BL1972) en 12 februari 2010 (LJN BL3956). De rechtbank ziet geen aanleiding afstand te nemen van het in de genoemde uitspraken uiteengezette toetsingskader. Voor publicatie in een geanonimiseerde vorm is, gelet op hetgeen in die uitspraken is overwogen, geen ruimte. Of [B] kan worden gevolgd in zijn stelling dat een dergelijke vroegtijdige publicatie in het onderhavige geval als een bestraffende sanctie moet worden aangemerkt kan en zal de rechtbank in het midden laten nu voor [B] voorafgaande aan die publicatie een voorziening heeft opengestaan welke voldoet aan de eisen van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De rechtbank vermag niet in te zien dat de vroegtijdige openbaarmaking zoals deze heeft plaatsgehad in strijd zou kunnen komen met de doelstellingen van het door AFM uit te oefenen gedragstoezicht als bedoeld in artikel 1:97, vierde lid, van de Wft. De rechtbank stelt verder vast dat in het primaire besluit is beslist tot openbaarmaking van de onherroepelijke boete als bedoeld in artikel 1:98 van de Wft. Die deelbeslissing is in het bestreden besluit niet heroverwogen. Omdat de vraag of een eventuele uitzonderingsgrond als bedoeld in het laatste zinsdeel van die bepaling beoordeeld zal moeten aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van het openbaarmaken, zal de rechtbank er van uit gaan dat AFM zich met een nadere deelbeslissing op bezwaar alsnog hierover zal buigen nadat de boeteoplegging zelf rechtens onaantastbaar is geworden.
De uitspraak op rechtspraak.nl