Rb. Rotterdam 12 mei 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ4829
AFM heeft bestuurlijke boete van € 200.000 opgelegd aan [A], een financiëledienstverlener, wegens misleidende en agressieve handelspraktijken. Tevens heeft AFM besloten de boete te publiceren. De in artikel 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in de weg aan de toepassing van het in artikel 6:16 Awb neergelegde uitgangspunt dat bezwaar en beroep geen schorsende werking hebben, mits hangende bezwaar en beroep een voorlopige voorziening kan worden verzocht bij een rechter die een zogenoemde “full jurisdiction” toekomt. Na beluistering van de door [A] overgelegde telefoongesprekken komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat van de zijde van [A] sprake is geweest van het verstrekken van misleidende informatie. In de drie gesprekken is door de medewerker van [A] namelijk op geen enkel moment gewezen op de mogelijke risico’s die zijn verbonden aan de aankoop van het financiële product. Bezien in de totale context van deze gesprekken en de omstandigheid dat blijkbaar eerdere gesprekken met deze consumenten hadden plaatsgevonden, is de voorzieningenrechter er echter niet van overtuigd dat tevens sprake is geweest van hardnekkig en ongewenst aandringen per telefoon. De voorzieningenrechter acht de boete onevenredig hoog. Schorsing.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 6:193b BW6
- Artikel 6:193c BW6
- Artikel 6:193g BW6
- Artikel 6:193h BW6
- Artikel 6:193i BW6
- Artikel 3:41 Awb
- Artikel 6:16 Awb
- Artikel 8:81 Awb
- Artikel 8:82 Awb
- Artikel 1:1 Wft
- Artikel 1:97 Wft
- Artikel 1.1 Wet handhaving consumentenbescherming
- Artikel 2.15 Wet handhaving consumentenbescherming
- Artikel 2.23 Wet handhaving consumentenbescherming
- Artikel 3.1 Wet handhaving consumentenbescherming
- Artikel 3.4 Wet handhaving consumentenbescherming
- Artikel 8.8 Wet handhaving consumentenbescherming