Rb. Den Haag 4 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11958

Deze zaak betreft een asielverzoek van een Iraaks gezin met drie meerderjarige dochters. De dochters doen een beroep op vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. De minister heeft een dag voor de zitting de besluiten ingetrokken. Deze handelswijze wordt door de rechtbank gekwalificeerd als misbruik van bevoegdheid en strijdig geacht met artikel 47 Handvest en artikel 46 van de Procedurerichtlijn, waarna de rechtbank de zaken alsnog inhoudelijk beoordeelt. De rechtbank oordeelt dat de motivering van de bestreden besluiten geen stand kan houden. In het beleid (paragraaf C2/3.2.5.2.1 Vreemdelingencirculaire 2000) dat door de minister wordt gehanteerd, wordt ten onrechte verwacht dat de vereenzelviging fundamenteel moet zijn voor de identiteit of morele integriteit van de vrouw en dermate fundamenteel moet zijn, dat van haar niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft. Die eisen in het beleid van de minister zijn in strijd met het arrest K en L en worden daarom buiten toepassing gelaten. De rechtbank meent over voldoende informatie te beschikken om zowel een oordeel te geven over de geloofwaardigheid als de zwaarwegendheid van het asielrelaas. Omdat de rechtspraak van de Afdeling een dergelijk oordeel niet toelaat en de rechtbank twijfelt of die rechtspraak wel in overeenstemming is met het EU-recht, gaat de rechtbank over tot het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank stelt ook een prejudiciële vraag of de uitleg/definiëring van het begrip “gegrond vrees”. De vragen luiden als volgt: 1) Kan de rechtbank aan artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32/EU, al dan niet in samenhang bezien met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU, dan wel aan enige andere bepaling of beginsel van EU-recht, de bevoegdheid ontlenen om een eigen oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas te geven, dat in de plaats treedt van het oordeel dat de minister heeft gegeven? 2) Kan de rechtbank aan een van voornoemde bepalingen de bevoegdheid ontlenen om aan de hand van de door de minister geloofwaardig geachte onderdelen van het asielrelaas en, zo het antwoord op vraag 1 bevestigend is, de onderdelen van het asielrelaas die de rechtbank daarenboven geloofwaardig acht, een inhoudelijk en definitief oordeel te geven over het verzoek om internationale bescherming? Mag de rechtbank daarbij haar eigen oordeel over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade in de plaats stellen van dat van de minister, met name als de rechtbank zich tegen de achtergrond van beschikbare voor het publiek toegankelijke landeninformatie voldoende geïnformeerd acht om een dergelijk oordeel te geven? 3) Kan de nationale rechtspraak, bijvoorbeeld op grond van de procedurele autonomie, de bevoegdheden als bedoeld onder vragen 1 en 2 inperken, in die zin dat die bevoegdheden alsnog exclusief aan de minister worden toebedeeld? 4) Mag de rechtbank informatie die in beroep naar voren is gebracht, maar in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar was, betrekken bij het oordeel over de vraag of hij over genoeg informatie beschikt om een inhoudelijk oordeel te geven? Is daarbij relevant of partijen schriftelijk, dan wel ter zitting zich volledig over de feiten hebben kunnen uitlaten? 5) Dient onder ‘gegronde vrees’ als bedoeld in artikel 2 sub d van richtlijn 2011/95/EU te worden verstaan de situatie dat sprake is van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat bij terugkeer de asielzoeker zal worden vervolgd? Dient die redelijke mate van waarschijnlijkheid te worden ingevuld aan de hand van het criterium van een ‘nuchter en redelijk persoon’, waarbij doorslaggevend is of vanuit het perspectief van een nuchter en redelijk persoon in de positie van de asielzoeker, een terugkeer naar het thuisland onredelijk lijkt na afweging van alle bekende omstandigheden? Zo niet, welk criterium dient dan te worden gehanteerd?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken