Art. 46, Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel
1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:
a) een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing:
i) om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus;
ii) om een verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 33, lid 2;
iii) aan de grens of in de transitzones van een lidstaat zoals omschreven in artikel 43, lid 1;
iv) om een behandeling niet uit te voeren krachtens artikel 39;
b) een weigering om de behandeling van een verzoek na de onderbreking ervan overeenkomstig de artikelen 27 en 28 te hervatten;
c) een beslissing tot intrekking van de internationale bescherming krachtens artikel 45.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat personen van wie door de beslissingsautoriteit is erkend dat zij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, toegang hebben tot een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens lid 1 tegen een beslissing om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus.
Onverminderd lid 1, onder c), kan een lidstaat, indien de door hem verleende subsidiarebeschermingsstatus dezelfde rechten en voordelen biedt als de vluchtelingenstatus uit hoofde van het recht van de Unie en het nationale recht, een beroep tegen een beslissing om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus als niet-ontvankelijk beschouwen omdat de verzoeker er onvoldoende belang bij heeft om de procedures voort te zetten.
3. Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.
4. De lidstaten stellen redelijke termijnen en andere vereiste voorschriften vast opdat de verzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens lid 1 kan uitoefenen. De termijnen maken het uitoefenen van dit recht niet onmogelijk of uiterst moeilijk.
De lidstaten kunnen ook voorzien in een ambtshalve toetsing van krachtens artikel 43 genomen beslissingen.
5. Onverminderd lid 6 staan de lidstaten de verzoekers toe om op het grondgebied te blijven tot de termijn waarbinnen zij hun recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kunnen uitoefenen, verstreken is en, wanneer dat recht binnen de termijn werd uitgeoefend, in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel.
6. In het geval van een beslissing om:
a) een verzoek als kennelijk ongegrond te beschouwen overeenkomstig artikel 32, lid 2, of als ongegrond na behandeling overeenkomstig artikel 31, lid 8, behoudens de gevallen waarin deze beslissingen zijn genomen op basis van de in artikel 31, lid 8, onder h), genoemde omstandigheden;
b) een verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen krachtens artikel 33, lid 2, onder a), b) of d);
c) het opnieuw in behandeling nemen van het dossier van de verzoeker te weigeren nadat de behandeling ervan overeenkomstig artikel 28 is beëindigd; of
d) een verzoek niet of niet volledig te behandelen overeenkomstig artikel 39,
is een rechterlijke instantie bevoegd om, op verzoek van de betrokken verzoeker of ambtshalve, uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker op het grondgebied van de lidstaat mag blijven, indien deze beslissing resulteert in een beëindiging van het recht van de verzoeker om in de lidstaat te blijven, en het nationale recht in dergelijke gevallen niet voorziet in het recht om in de lidstaat te blijven in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel..
7. Lid 6 is uitsluitend van toepassing op de in artikel 43 bedoelde procedures mits:
a) de verzoeker over de nodige tolkdiensten en rechtsbijstand beschikt, en minstens een week de tijd heeft om het verzoek op te stellen en aan de rechterlijke instantie de argumenten voor te leggen om hem, in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel, het recht te verlenen op het grondgebied te blijven; en
b) in het kader van de behandeling van het in lid 6 bedoelde verzoek, de rechterlijke instantie de feitelijke en juridische aspecten van de negatieve beslissing van de beslissingautoriteit onderzoekt.
Indien niet is voldaan aan de onder a) en b) genoemde voorwaarden, is lid 5 van toepassing.
8. De lidstaten staan de verzoeker toe om op het grondgebied te blijven in afwachting van de uitkomst van de in de leden 6 en 7 bedoelde procedure om te bepalen of de verzoeker al dan niet op het grondgebied mag blijven.
9. De leden 5, 6 en 7 doen geen afbreuk aan artikel 26 van Verordening (EU) nr. 604/2013.
10. De lidstaten kunnen termijnen vastleggen voor het onderzoek door de in lid 1 bedoelde rechterlijke instantie van beslissingen van de beslissingsautoriteit.
11. De lidstaten kunnen in hun nationale wetgeving tevens de voorwaarden vastleggen waaronder ervan kan worden uitgegaan dat een verzoeker zijn rechtsmiddel zoals bedoeld in lid 1, impliciet heeft ingetrokken of daarvan heeft afgezien, en wel tezamen met de regels inzake de procedure die moet worden gevolgd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457
- Rb. Den Haag 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136
- ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890
- Rb. Den Haag 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:139
- ABRvS 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2669
- Rb. Den Haag 18 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2170
- ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:891
- ABRvS 27 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2828
- ABRvS 19 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1307
- ABRvS 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:869
- Rb. Den Haag 4 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11958
- Rb. Den Haag 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3726
- ABRvS 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:858
- Rb. Den Haag 26 april 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4218
- Rb. Den Haag 15 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1248
- ABRvS 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2552
- Rb. Den Haag 19 september 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:11260
- Rb. Den Haag 24 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9942
- Rb. Den Haag 14 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26829
- Rb. Den Haag 14 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26828