Rb. Den Haag 12 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3346

Verweerder heeft niet voldaan aan het beoordelingskader zoals is voorgeschreven door WI 2014/10, WI 2019/17 en zoals wordt omschreven in de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021. Uit die uitspraak volgt dat verweerder een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet maken, waarbij hij de verklaringen van een vreemdeling over de verschillende in WI 2019/17 genoemde thema’s uitdrukkelijk in hun onderlinge samenhang én in het licht van de overige verklaringen en het overgelegde bewijsmateriaal beziet. Die uitspraak ziet weliswaar op een eerste aanvraag, maar uit het arrest L.H. volgt dat de beoordeling van de bewijzen die worden overgelegd ter onderbouwing van een eerste aanvraag om internationale bescherming niet mag verschillen van die beoordeling in een opvolgende aanvraag en dat verweerder de relevante elementen moet beoordelen in samenwerking met de vreemdeling overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn. Dat verweerder alle thema’s in hun onderlinge samenhang moet bezien betekent, mede gelet op de samenwerkingsverplichting, dan ook dat verweerder daarnaar had moeten vragen tijdens het gehoor in deze procedure. Dat geldt zeker in dit geval, waarin de eerste aanvraag is afgewezen omdat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard en eiser een opvolgende aanvraag heeft ingediend, omdat hij zijn seksuele gerichtheid alsnog aannemelijk wil maken. Door de aard van de informatie die verweerder nodig heeft voor de beoordeling van de geloofwaardigheid, is het immers lastig voor eiser om uit zichzelf en op voorhand op dit punt nieuwe informatie te overleggen. Het gaat namelijk om antwoorden die de vreemdeling geeft op vragen van verweerder over de drie thema’s.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken