Rb. Den Haag 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12920
15c Jemen – De rechtbank was voornemens om in deze procedure de navolgende prejudiciële vraag te stellen: “Dienen humanitaire omstandigheden, die een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger vormen en die doelbewust worden veroorzaakt door strijdende partijen in een internationaal of binnenlands gewapend conflict, te worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15 van richtlijn 2011/95?”. In het arrest X,Y, van 9 november 2023 heeft het Hof deze vraag niet-ontvankelijk verklaard, maar heeft de AG zich op het standpunt gesteld dat een „humanitaire noodsituatie” niet binnen de werkingssfeer van artikel 15c valt. De rechtbank ziet af van het stellen van deze vraag aan het Hof vanwege de uitspraken van de Afdeling over 15c Jemen, hoewel deze uitspraken de rechtbank voor een dilemma hebben geplaatst. Anders dan bij het onderzoek door de Afdeling, was het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025 bij het onderzoek ter zitting bij de rechtbank wel beschikbaar en heeft de rechtbank de inhoud hiervan besproken met partijen - Omdat de Afdeling gedetailleerd en nauwgezet uiteen heeft gezet hoe moet worden beoordeeld of de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade en omdat dit in wezen een feitelijke beoordeling van openbare bronnen betreft, is de rechtbank in staat om zelf na te gaan of aan eiser subsidiaire bescherming moet worden verleend reeds vanwege het niveau van willekeurig geweld. De rechtbank stelt vast dat op grond van het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025 moet worden geconcludeerd dat sprake is van een zogenoemde ‘kale 15c-situatie’. De rechtbank overweegt dat uit het ambtsbericht niet blijkt dat voor delen van Jemen een wezenlijk lager niveau van willekeurig geweld moet worden vastgesteld zodat de ‘kale 15c-situatie’ voor heel Jemen geldt. Verweerder heeft geen beoordelingsruimte als wordt voldaan aan de materiële voorwaarden voor subsidiaire bescherming. De rechtbank draagt verweerder dan ook op om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de subsidiaire beschermingsstatus. – beroep gegrond & de rechtbank voorziet zelf in de zaak door verweerder op te dragen eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153
- ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3154
- Rb. Den Haag 4 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11958
- Rb. Den Haag 11 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10083
- Rb. Den Haag 5 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9840
- Rb. Den Haag 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3726
- Rb. Den Haag 20 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20195
- Rb. Den Haag 22 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1329
- EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:94
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2023:469
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2023:843
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2025:397