Rb. Den Haag 27 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4267

Einduitspraak na verwijzing (on)deelbaarheid interstatelijk vertrouwen – Dublin Polen. De rechtbank heeft op 22 juni 2022 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld over de (on)deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank wilde weten of en hoe stelselmatige en langdurige praktijken van pushbacks en (grens)detentie moeten worden betrokken bij de beoordeling van een overdrachtsbesluit. Het Hof heeft de vragen op 29 februari 2024 beantwoord. De rechtbank stelt allereerst vast dat het Hof de eerste vraag die de rechtbank heeft voorgelegd niet heeft beantwoord. De rechtbank heeft met haar eerste vraag expliciet de principiële vraag voorgelegd of de beoordeling of de overdracht op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening moet worden verboden, überhaupt nog moet worden verricht in het geval de mogelijk verantwoordelijke lidstaat zich stelstelmatig en gedurende langere tijd schuldig maakt aan pushbacks en het onrechtmatig detineren van derdelanders aan de buitengrenzen. De rechtbank zal zich evenwel niet tot het Hof wenden om deze vraag nogmaals voor te leggen. Dat de rechtbank wellicht had verwacht dat het Hof het Unierecht anders zou uitleggen of dat de rechtbank wellicht zelf het Unierecht anders zou uitleggen, is niet (langer) relevant. Artikel 267 van het VWEU stelt de rechtbank in staat om een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen bij het Hof en zodoende een nadere precisering van het Unierecht te verkrijgen. De rechtbank is, net als alle andere gerechten in alle andere lidstaten van de Unie, gehouden om de uitleg die het Hof heeft gegeven ten grondslag te leggen aan haar eigen beoordelingen en toe te passen in haar eigen uitspraken. De rechtbank overweegt uitdrukkelijk dat dit voor de rechtbank geen enkel punt van discussie is. Het Hof heeft uitgelegd dat het interstatelijk vertrouwen deelbaar is. De rechtbank komt wel tot de conclusie dat de nationale jurisprudentie met betrekking tot de bewijslastverdeling een nadere nuancering behoeft. Pushbacks en (grens)bewaringspraktijken staan niet zonder meer aan een Dublinoverdracht in de weg. Het Hof heeft evenwel, zoals het EHRM ook al heeft gedaan, uitgelegd dat onder bepaalde omstandigheden de autoriteiten uit eigen beweging moeten nagaan of uit openbare informatie aanwijzingen volgen dat de vreemdeling na overdracht te maken krijgt met systeemfouten in de asielprocedure en/of opvang die tot een 4 Handvest-schending die de Jawo-drempel haalt kunnen leiden. Voor zover in de nationale jurisprudentie wordt geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwen het uitgangspunt is en hieraan ontleende vermoedens kunnen worden weerlegd en dit (uitsluitend) aan de vreemdeling is, kan dit niet in alle gevallen meer het beoordelingskader zijn. Voor zover verweerder zich -steeds en in elke procedure- op het standpunt heeft gesteld dat hij geen geloofwaardigheidsbeoordeling hoeft te verrichten voor zover de vreemdeling verklaringen heeft afgelegd over zijn ervaringen in de mogelijke verantwoordelijke lidstaat omdat enkel de situatie na overdracht moet worden beoordeeld, is dit ook niet langer onverkort houdbaar. Voorafgaand aan een overdracht opgedane ervaringen in de asielprocedure en opvang staan weliswaar niet absoluut in de weg aan een overdracht en constitueren op zichzelf geen risico om na overdracht in een met artikel 4 van het Handvest-strijdige situatie te geraken, maar indien sprake is van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen of de verklaringen van de vreemdeling op dergelijke tekortkomingen wijzen, dient de betrokken lidstaat, zo nodig uit eigen beweging, na te gaan of hieruit aanwijzingen volgen dat na overdracht óók sprake zal zijn van dergelijke ernstige tekortkomingen en deze systeemfouten resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. De rechtbank overweegt dat verweerder na het arrest van 29 februari 2024 en anders dan in het overdrachtsbesluit, in zijn verweerschrift en ter zitting op 15 maart 2024, wel is nagegaan of gelet op openbare informatie over pushbacks en detentiepraktijken aanwijzingen bestaan dat een schending van artikel 4 Handvest dreigt na overdracht. De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het overdrachtsbesluit in stand te laten. De rechtbank zal het besluit dus vernietigen en verweerder opdragen opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser. De overige beroepsgronden slagen niet. Het is niet onredelijk dat verweerder niet categorisch de behandeling van alle asielaanvragen aan zich trekt van asielzoekers waarvoor lidstaten verantwoordelijk zijn die zich schuldig maken aan pushbacks en is niet onredelijk dat verweerder enkel vanwege het tijdsverloop dat is ontstaan door verwijzing de asielaanvraag van eiser niet inhoudelijk behandelt. Beroep gegrond vanwege een motiveringsgebrek en niet omdat de overdracht verboden wordt – vernietiging overdrachtsbesluit & PKV.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken