Rb. Den Haag 6 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12267
Gelet op de omstandigheid dat vaststaat dat een lidstaat zich schuldig heeft gemaakt aan pushbackpraktijken (jegens asielzoekers en illegale migranten), zoals het geval is bij Kroatië, is het niet uitsluitend aan de vreemdeling om de presumptie van het interstatelijk vertrouwensbeginsel te weerleggen. Immers, het HvJ-EU heeft in het arrest X tegen Nederland in het kader van de bewijslastverdeling in punt 77 en 78 uitgelegd dat de lidstaten in voorkomend geval - naast het beoordelen van de door betrokkene afgelegde verklaringen, specifiek overgelegde informatie en het meewerken aan de vaststelling van de feiten en de risicotaxatie - ook op eigen initiatief rekening moeten houden met relevante informatie waarvan hij niet onkundig kan zijn met betrekking tot mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die in de verantwoordelijke lidstaat om internationale bescherming verzoeken. Deze verschuiving van de bewijslast, onder dergelijke omstandigheden, maakt dus niet dat sprake is van omkering van de bewijslast, maar slechts een nadere nuancering van de bewijslastverdeling. Daarom neemt de voorzieningenrechter, evenals de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:4267) een - onder omstandigheden - nadere vergewisplicht voor verweerder aan. Verweerder kan evenals de voorzieningenrechter niet onkundig zijn van recente informatie over de situatie in Kroatië. Deze recente informatie van CPS, VWN en AIDA geeft niet alleen blijk van de huidige problemen in Kroatië met de opvangvoorzieningen en pushbacks van asielzoekers, maar vooral van belang is dat uit de informatie van CPS blijkt dat er moeilijk onderscheid kan worden gemaakt tussen Dublinclaimanten en overige asielzoekers. Op grond hiervan had verweerder nader onderzoek moeten doen naar de huidige situatie voor Dublinclaimanten wat betreft het reële risico dat zij lopen om slachtoffer te worden van pushback- en (grens)bewaringspraktijken of dat dergelijke praktijken hen na overdracht aan Kroatië zouden blootstellen aan een situatie van zeer verregaande materiële ontberingen die de hoge drempel van het arrest Jawo halen en mag verweerder er niet van uit gaan dat de situatie in Kroatië voor Dublinclaimanten ongewijzigd is sinds het resultaat van de laatste vergewissing (onderzoek) bij de Kroatische autoriteiten bij brief van 15 november 2022. Zonder recent nader onderzoek naar de situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Kroatië, heeft verweerder gelet op voormelde informatie zich niet op het standpunt kunnen stellen dat door de overdracht van verzoeker aan Kroatië geen situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 EVRM. Dit leidt ertoe dat verweerder zonder nader onderzoek naar de huidige situatie in Kroatië voor Dublinclaimanten zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de situatie in Kroatië ongewijzigd is en ten aanzien van dat land nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 8 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2752
- ABRvS 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2484
- Rb. Den Haag 30 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10137
- ABRvS 13 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2017
- Rb. Den Haag 27 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4267
- ABRvS 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1197
- ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411
- Rb. Den Haag 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724
- ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1043
- ABRvS 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2791
- ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980
- EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:865
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:127
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:218
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:280
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:195