Rb. Den Haag 7 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6993

Einduitspraak na beantwoording prejudiciële vragen – opvolgende aanvragen – documenten – samenwerkingsplicht – beleid en besluit in strijd met Unierecht – beroep gegrond. Op 10 juni 2021 heeft het Hof van Justitie de vragen van de rechtbank over het categoriaal ter zijde schuiven van documenten en het niet onverkort invulling geven aan de samenwerkingsplicht bij opvolgende aanvragen beantwoord. De rechtbank stelt vast dat de vaststelling of een element of bevinding “nieuw” is enkel een feitelijke beoordeling behelst waarbij “de verwijtbaarheid” geen rol speelt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Hof uitgelegd dat de ontvankelijkheidsbeoordeling een lage drempel kent. Het Hof heeft het vereiste “aanzienlijk groter maken” niet verder uitgelegd. Uit het arrest van het Hof blijkt echter dat alleen als een opvolgende aanvraag wordt ingediend zonder nieuwe bewijzen of argumenten kan worden afgezien van een inhoudelijke beoordeling van elementen en bevindingen die aan een opvolgende aanvraag ten grondslag worden gelegd. De rechtbank leidt uit het arrest af dat het Hof een duidelijk onderscheid maakt tussen de ontvankelijkheidsbeoordeling en de inhoudelijke beoordeling van de nieuwe elementen en bevindingen. Op het moment dat de lidstaat de inhoud van de elementen en bevindingen onderzoekt is de drempel van de ontvankelijkheid reeds genomen, zodat de waardering van die elementen en bevindingen niet ten grondslag kan worden gelegd aan de beslissing om een opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof heeft geen uitspraak gedaan, en dat heeft de rechtbank ook nadrukkelijk niet gevraagd, hoe vervolgens de documenten die in een opvolgende procedure worden overgelegd en die worden gekwalificeerd als nieuwe elementen en bevindingen moeten worden gewaardeerd bij de beoordeling of alsnog internationale bescherming moet worden verleend. Om de bewijswaarde van documenten goed te kunnen beoordelen zal verweerder bij zijn beoordeling nadere feiten en omstandigheden moeten betrekken zoals bijvoorbeeld de aard van de documenten, hoe eiser aan de documenten is gekomen, waarom eiser vindt dat deze documenten zijn relaas ondersteunen en of dergelijke documenten in het land van herkomst gangbaar zijn ondanks dat Bureau Documenten niet over referentiemateriaal beschikt en ondanks documentenonderzoek geen uitspraken gedaan kunnen worden over de echtheid van deze documenten. Verweerder zal zich dus dienen te vergewissen van dit soort feiten en omstandigheden door eiser actief te bevragen en dus door eiser in de gelegenheid te stellen hierover te verklaren in een gehoor. Verweerder kan zich dan ook in beginsel niet beperken door eiser enkel toe te staan deze informatie op de M35-O te vermelden en te reageren in een zienswijze, maar zal eiser -om tot een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit te komen- in persoon moeten horen. Bij de beoordeling van opvolgende aanvragen geldt de samenwerkingsplicht onverkort. Dit betekent dat verweerder ook bij opvolgende aanvragen gehouden is om zich te vergewissen of er aanleiding bestaat een FMO op grond van artikel 18 van de Procedurerichtlijn te doen verrichten. Verweerder zal bovendien actief en welwillend moet onderzoeken en kenbaar moeten beoordelen of aan een verzoeker het voordeel van de twijfel kan worden gegund.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken