Rb. Den Haag 16 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:13451

Prejudiciële vragen in verband met uitleg “nieuwe elementen en bevindingen” zoals bedoeld in artikel 40 van de Procedurerichtlijn - opvolgende aanvraag -originele documenten waarvan de authenticiteit niet is vastgesteld, kopieën van documenten en documenten die afkomstig zijn uit een niet objectief-verifieerbare bron. De rechtbank overweegt dat de vraag rijst hoe het begrip “nieuwe elementen en bevindingen” zoals benoemd in artikel 40 van de Procedurerichtlijn dient te worden uitgelegd om te bezien of de Nederlandse regelgeving en beleid in overeenstemming zijn met het recht van de Unie. In de huidige Nederlandse praktijk betrekt de beslissingsautoriteit bij een eerste asielaanvraag documenten waarvan de authenticiteit niet vaststaat bij de beoordeling. Daarentegen vormt bij een volgende asielprocedure onzekerheid over de authenticiteit op zichzelf al reden voor de beslissingsautoriteit om te concluderen dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, wat leidt tot niet-ontvankelijkheid van de opvolgende aanvraag. Deze gevolgen worden door de beslissingsautoriteit ook verbonden aan de overlegging van een kopie bij een volgend verzoek en bij documenten die afkomstig zijn uit een niet-objectief verifieerbare bron. De rechtbank wenst van het HvJ-EU te vernemen of deze categorieën van documenten buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de beoordeling van volgende verzoeken enkel vanwege deze kwalificatie. De rechtbank wil tevens weten of lidstaten bij de beoordeling van documenten in een asielprocedure onderscheid mogen maken tussen een eerste en opvolgende aanvraag en of lidstaten bij opvolgende aanvragen minder invulling hoeven te geven aan de samenwerkingsplicht. De rechtbank legt de volgende vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: I Is het door de beslissingsautoriteit van een lidstaat bepalen dat originele documenten nooit nieuwe elementen of bevindingen kunnen zijn indien de authenticiteit van deze documenten niet kan worden vastgesteld verenigbaar met artikel 40, lid 2, Procedurerichtlijn , in samenhang gelezen met artikel 4, lid 2, Kwalificatierichtlijn en artikelen 47 en 52 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie? Indien dit niet verenigbaar is, maakt het dan nog verschil als bij een volgend verzoek kopieën van documenten of documenten die afkomstig zijn uit een niet-objectief verifieerbare bron worden ingebracht door de verzoeker? II Moet artikel 40 Procedurerichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, Kwalificatierichtlijn, aldus worden uitgelegd dat het de beslissingsautoriteit van een lidstaat is toegestaan om bij de beoordeling van documenten en toekenning van bewijswaarde aan documenten onderscheid te maken tussen documenten die worden overgelegd bij een eerste verzoek en bij een volgend verzoek? Is het een lidstaat toegestaan om bij de overlegging van documenten bij een volgend verzoek geen verdere invulling meer te geven aan de samenwerkingsverplichting als de authenticiteit van die documenten niet kan worden vastgesteld?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken