Conclusie A-G Frielink 13 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:76

Conclusie AG. Art. 69 AWR. Opzettelijk niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte vennootschapsbelasting (art. 69 lid 1 AWR) (feit 1) en opzettelijk niet voeren van een administratie (feit 2). Zeven middelen. M1 (klacht over afgewezen verzoeken tot oproeping van getuige), M2 (klacht klaagt over verwerping beroep op no van het OM omdat de belastinginspecteur niet eerst een informatiebeschikking als bedoeld in art. 52a AWR heeft genomen, M3 (klacht over verwerping beroep op no van het OM wegens schending vertrouwensbeginsel), M5 (klacht over bewijs opzet) en M6 (klacht over de maximaal op te leggen GB en over de draagkracht) falen. In M4 wordt geklaagd over een deel van de bwv van feit 1 (het niet doen van aangiften Vpb over de jaren 2025 en 2016) en in M7 over de overschrijding van de inzendtermijn. Deze twee middelen slagen. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging maar uitsluitend wat betreft de bewezenverklaring onder 1 wat betreft het niet doen van aangiften Vpb over de jaren 2015 en 2016 en de strafoplegging. Conclusie strekt er verder toe dat de HR de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde niet doen van aangiften Vpb over de jaren 2015 en 2016, de opgelegde geldboete zal verminderen conform de gebruikelijke maatstaf en het beroep voor het overige zal verwerpen. Samenhang met 23/00760 en 23/00758.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken