HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1641

Opzetheling van een monstrans uit museum Catharijneconvent in Utrecht in 2013, art. 416.1.a Sr. Strafmotivering (achttien maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk). Wekt opgelegde gevangenisstraf in het licht van procesverloop en door AG gevorderde gevangenisstraf (veertien maanden) verbazing? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:975 m.b.t. ruime straftoemetingsvrijheid van feitenrechter. ’s Hofs motivering van strafoplegging komt erop neer dat het een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden als passend heeft beschouwd gelet op de ernst van het feit en persoonlijke omstandigheden van verdachte, maar dat het vanwege de overschrijding van de redelijke termijn een deel van die gevangenisstraf (te weten: drie maanden) voorwaardelijk heeft opgelegd. Deze strafoplegging is niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat hof niet nader heeft besproken wat door AG en verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht over de duur van de op te leggen straf in relatie tot de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Uit ’s hofs overwegingen volgt immers dat het de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een met die in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd overeenkomende duur, mede gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, niet passend heeft geacht. Volgt verwerping. CAG: anders. Vervolg op HR:2019:655 en HR:2015:1235.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken