Conclusie A-G Frielink 13 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:67

Conclusie AG. Art. 69 AWR. Opzettelijk niet doen van bij de belastingwet voorziene aangiften vennootschapsbelasting (feit 1) en inkomstenbelasting (feit 2) en opzettelijk niet voeren van een administratie (feit 3). Acht middelen. M1 en M4 zijn gericht tegen bwv feit 1. M1 slaagt voorzover het is gericht tegen het impliciete oordeel van het hof dat verdachte de voor bwv van feit 1 vereiste kwaliteit van aangifteplichtige heeft. M4 slaagt voor zover het is gericht tegen de bwv van niet gedane aangiften Vpb over de jaren 2015 en 2016. M3 en M8 betreffen klachten over verwerping beroep op no van het OM omdat de belastinginspecteur niet eerst een informatiebeschikking als bedoeld in art. 52a AWR heeft genomen, en omdat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Beide middelen falen. Dat geldt ook voor M2 (klacht over afgewezen verzoeken tot oproeping getuige), M5 (klacht over bewijs opzet) en M6 (klacht over strafoplegging en draagkracht). M7 bevat een klacht over overschrijding inzendtermijn en slaagt. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing, maar uitsluitend wat betreft feit 1 en de strafoplegging. Samenhang met 23/00758 en 23/00761.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken