HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:411
Economische zaak. Arbeidsongeval op schip waarbij bemanningslid tijdens laswerkzaamheden in laadpijp als gevolg van starten van waterpomp is verdronken, art. 32 Arbeidsomstandighedenwet jo. art. 3.17 Arbeidsomstandighedenbesluit. Vrijspraak in eerste aanleg. Kan verdachte, als kapitein van schip, worden aangemerkt als ‘werkgever’ a.b.i. art. 1.2.a.1 (oud) Arbowet? Uit wetsgeschiedenis bij Arbowet (oud) volgt dat met art. 1.2.a.1 (oud) Arbowet is beoogd werkingssfeer van Arbowet uit te breiden, i.h.b. voor gevallen waarin geen sprake is van arbeidsovereenkomst of aanstelling aan de hand waarvan o.g.v. art. 1.1 (oud) Arbowet kan worden bepaald wie werkgever is. Met uitbreiding beoogde wetgever ook diegene die o.g.v. andere rechtsverhouding een persoon onder zijn gezag arbeid laat verrichten, onder begrip ‘werkgever’ te brengen. Daarbij strekte toevoeging ‘zonder werknemer in de zin van eerste lid te zijn’ ertoe diegene die dit gezag enkel als leidinggevende uitoefent weer uit te zonderen van deze verruiming. Uit ’s hofs vaststellingen blijkt dat verdachte als kapitein gezag voerde over schip. Verder blijkt dat werknemers op dit schip, onder wie lassers die bij arbeidsongeval betrokken waren, door medeverdachte eigenaar van schip waren ingeleend van crewingbedrijf. Gelet hierop kan o.g.v. art. 1.1.a.2 (oud) Arbowet de medeverdachte eigenaar van schip worden aangemerkt als werkgever van beide lassers, en is hof daarvan kennelijk ook uitgegaan (vgl. HR:2025:410). ’s Hofs oordeel dat o.g.v. art. 1.2.a.1 (oud) Arbowet daarnaast ook verdachte moet worden aangemerkt als werkgever, is (tegen achtergrond van wettelijke regeling en uit wetsgeschiedenis blijkende bedoeling daarvan) niet z.m. begrijpelijk. Enkele omstandigheid dat verdachte op moment van arbeidsongeval als kapitein het gezag voerde over varend schip en daarmee over bemanning daarvan, brengt niet mee dat hij daarmee in zodanige (contractuele) gezagsverhouding tot bemanning stond dat hij als werkgever kan worden aangemerkt. Dat volgt evenmin uit omstandigheid dat verdachte binnen familiebedrijf waarvan eigenaar van schip onderdeel is ‘nodige invloed lijkt te hebben’. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/03752 E.
De uitspraak op rechtspraak.nl