HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:364
OM-cassatie. OM n-o in vervolging t.z.v. feitelijke leiding geven aan opzettelijk niet doen van aangifte omzetbelasting begaan door rechtspersoon, art. 69.1 AWR. Una via-beginsel en hetzelfde feit (ne bis in idem). Art. 243.2. jo. 255.1 Sv. Is verdachte als natuurlijke persoon opnieuw in rechte betrokken t.z.v. hetzelfde feit, nu aan rechtspersoon reeds verzuimboetes zijn opgelegd wegens niet (tijdig) indienen van aangifte omzetbelasting a.b.i. art. 67b.1 AWR en wegens niet (volledig) betalen van omzetbetaling a.b.i. art. 67c.1 AWR? Hof heeft geoordeeld dat oplegging van deze verzuimboetes “in beginsel” in de weg staat aan strafrechtelijke vervolging van verdachte wegens opdrachtgeven of feitelijk leidinggeven aan het door BV opzettelijk niet doen van aangifte omzetbelasting a.b.i. art. 69.1 AWR jo. art. 51 Sr. Dat oordeel is onjuist. Art. 243.2 Sv jo. 255.1 Sv staat er aan in de weg dat na oplegging van bestuurlijke boete dezelfde persoon voor hetzelfde feit “opnieuw” in rechte wordt betrokken, behoudens in geval van nieuwe bezwaren. Verdachte wordt echter als natuurlijke persoon vervolgd in de hoedanigheid van degene die opdracht heeft gegeven aan het door BV begane feit dan wel aan verboden gedraging van die BV feitelijke leiding heeft gegeven a.b.i. art. 51 Sr, terwijl hof heeft vastgesteld dat eerdere verzuimboetes zijn opgelegd aan BV. Enkele omstandigheid dat verdachte t.t.v. tlgd. bestuurder was van de in tll. bedoelde BV en enig aandeelhouder was van BV, maakt beoordeling van ontvankelijkheid van OM in vervolging niet anders. Het kan wel in de rede liggen om zo’n omstandigheid te betrekken bij straftoemeting. Ook art. 50 Handvest verzet zich er niet tegen dat, v.zv. sprake zou zijn van dezelfde feiten, strafrechtelijke vervolging wegens belastingverzuim wordt ingesteld tegen natuurlijke persoon nadat voor dat verzuim een definitieve fiscale sanctie is opgelegd aan vennootschap met rechtspersoonlijkheid (vgl. EU:C:2017:264 (Orsi en Baldetti)). HR merkt op dat aanzienlijk verschil bestaat tussen aard en ernst van enerzijds feiten die aanleiding kunnen geven tot oplegging van verzuimboetes o.g.v. art. 67b.1 (oud) AWR en art. 67c.1 (oud) AWR en anderzijds het art. 69.1 AWR toegesneden feit. Dat komt o.m. tot uitdrukking in het in art. 69.1 AWR neergelegde opzet- en strekkingsvereiste en in de in art. 69.1 AWR genoemde maximale straffen, waaronder gevangenisstraf van maximaal 4 jaren. Gelet daarop kunnen zulke feiten in beginsel niet worden aangemerkt als hetzelfde feit ex art. 68 Sr en art. 243.2 Sv jo. art. 255.1 Sv (vgl. HR:2011:BM9102). Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl