Conclusie A-G Spronken 27 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:113
Conclusie AG. Poging zware mishandeling met voorbedachten rade (art. 303 Sr) en opzettelijk ontploffing teweegbrengen (art. 157 Sr) door zware vuurwerkbom door brievenbus van woning te gooien. 1. Afwijzing voorwaardelijk verzoek tot verrichten contra-expertise naar NFI-rapport dat op verzoek van de verdediging is uitgebracht naar aanleiding van deskundigenonderzoek van de politie. AG bespreekt jurisprudentie over verzoeken verdediging om betrouwbaarheid te (doen) onderzoeken van belastende deskundigenverklaring. Bij die verzoeken moet rechter op grond van art. 6 EVRM belang vooronderstellen (HR:2022:1198 en HR:2025:1711). Als verdediging reeds gelegenheid heeft gehad om betrouwbaarheid van belastende deskundigenverklaringen te (doen) onderzoeken, meent AG dat bij het verzoek om vervolgens die contra-expertise opnieuw op betrouwbaarheid te (doen) onderzoeken door een andere deskundige, van de verdediging wel onderbouwing mag worden verlangd. 2. Falende bewijsklacht daderschap. 3. Bewijsklacht opzet. Sprake van aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel? Volgens AG heeft hof op grond van concrete omstandigheden van geval kunnen oordelen dat ontsteken en door brievenbus werpen van drie aan elkaar getapete Cobra’s 6 aanmerkelijke kans oplevert op zwaar lichamelijk letsel bij alle in die woning aanwezige bewoners. Ten aanzien van één bewoner die op moment van ontploffing niet thuis was, slaagt het middel. AG meent dat HR zaak zelf kan afdoen door verdachte van dat onderdeel vrij te spreken. 4. Bewijsklacht 'gevaar voor zwaar lichamelijk letsel' a.b.i. art. 157 Sr. Op grond van hetgeen i.h.k.v. derde middel is overwogen, faalt ook deze klacht. 5. Falende klacht over toepassing volwassenstrafrecht op 17-jarige verdachte. Conclusie strekt tot vrijspraak van poging zware mishandeling t.a.v. bewoner die niet thuis was en niet-ontvankelijkverklaring van zijn vordering b.p. en verwerping voor het overige.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711
- HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1648
- Conclusie A-G Aben 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:722
- HR 2 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:951
- HR 28 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:770
- Conclusie A-G Hofstee 21 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:533
- HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1036
- Conclusie A-G Frielink 23 mei 2023, ECLI:NL:PHR:2023:525
- HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198
- HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:782
- HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576
- HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2763
- HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1335
- HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3851
- HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6765
- HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8831
- HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653
- HR 6 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2760
- HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049
- HR 21 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2082