HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8831
1. Bewijsmiddel ex art. 344.1 aanhef sub 2 Sv? 2. Noodweerexces. Ad 1. De tot het bewijs gebezigde inhoud van het pv behelst onderdelen die niet kunnen worden aangemerkt als mededelingen van f&o die door de verbalisanten zelf zijn waargenomen of ondervonden, maar hebben te gelden als mededelingen van deskundige aard. In zoverre kan dat pv dus niet worden aangemerkt als een bewijsmiddel a.b.i. de door het Hof genoemde bepaling. Dat leidt echter niet tot cassatie o.g.v. het navolgende. Het gebezigde pv houdt in dat het op ambtsbelofte/ambtseed is opgemaakt door de verbalisanten X en door Y mede in hun respectieve hoedanigheid van "vakspecialist Wapens & Techniek" en "senior Forensisch Onderzoeker" bij de afdeling Forensische Opsporing in de regio Rotterdam-Rijnmond. Blijkens het daarvan opgemaakte pv zijn beide verbalisanten ttz in hb door het Hof gehoord en zijn zij niet alleen als getuige maar ook als deskundige beëdigd, terwijl het Hof ieders specifieke deskundigheid heeft onderzocht. Zij hebben toen wat betreft inhoud en strekking in gelijke zin verklaard als door hen is gerelateerd in genoemd pv. Gelet op e.e.a. stond het het Hof vrij het gebezigde pv, vzv. het mededelingen van deskundige aard betreft, tot het bewijs te bezigen als een verslag van een deskundige a.b.i. art. 344.1 aanh sub 4 Sv (vgl. HR LJN ZD1615). De HR leest de bestreden uitspraak in dit opzicht verbeterd. Ad 2. Het middel betoogt dat het Hof eraan voorbijgaat dat, indien de afstand van het wapen tot de deur slechts een meter bedroeg, het hele incident niet meer dan enkele seconden duurde, zodat er te weinig tijd was "om de boosheid van verdachte te laten zakken". Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, volgt uit de vaststellingen van het Hof echter niet dat de aan het afvuren van de twee schoten voorafgaande handelingen eveneens slechts op een meter afstand van de deur hebben plaatsgevonden. Het oordeel van het Hof dat het, aangenomen dat verdachte over de bij hem aangebrachte snee heel erg boos was, niet aannemelijk is geworden dat daardoor een zodanige hevige gemoedsbeweging bij hem is veroorzaakt dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, is niet onbegrijpelijk. Dat feitelijke oordeel kan in cassatie niet verder worden getoetst.
De uitspraak op rechtspraak.nl