Conclusie A-G Keulen 12 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:782

Conclusie AG. Moord op [slachtoffer]. Namens de verdachte zijn bewijsklachten en klachten m.b.t. schending van de redelijke termijn voorgesteld. De bewijsklachten falen volgens de CAG. Namens twee benadeelde partijen, de moeder en de dochter van het slachtoffer, zijn klachten aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van hun vorderingen tot schadevergoeding op grond van shockschade. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de moeder van het slachtoffer.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00842
Zitting 12 september 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte

1 De verdachte is bij arrest van 10 maart 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens ‘moord’ veroordeeld tot 18 jaren gevangenisstraf met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Daarbij heeft het hof de vordering van een benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

3 Namens de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] is door N. Stolk, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld met betrekking tot de beslissingen van het hof op hun vorderingen als benadeelde partij.

4 Ik zal eerst de middelen van de verdachte bespreken en vervolgens het middel van de benadeelde partijen.

5 Het eerste en het tweede middel van de verdachte bevatten bewijsklachten. Het derde en vierde middel van de verdachte betreffen het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn.

6 Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer.

Bewezenverklaring en bewijsvoering

7 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

‘1. hij op 29 november 2018 te [plaats] opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] ver-/gewurgd en/of (met een kussen) gesmoord en/of op enige wijze de ademhaling belemmerd, in elk geval zodanig geweld tegen die [slachtoffer] uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.’

8 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

‘1. Het proces-verbaal van onnatuurlijke dood d.d. 6 december 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…) inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 30 november 2018 omstreeks 07:47 uur werd in haar woning, [a-straat 1] te [plaats] , het levenloze lichaam aangetroffen van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1989. Er hing een gaslucht in de woning, één van de gaspitten stond open.

2 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 november 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…) inhoudende de verklaring van de getuige [benadeelde 1] :

Toen wij vanmorgen, 30 november 2018, omstreeks 07:40 uur, bij de woning van [slachtoffer] kwamen heeft mijn vrouw de portiekdeur geopend met een sleutel die wij hadden. De deur zat niet op het nachtslot. We zagen ook dat de bijzetsloten niet op slot waren gedraaid. Het was de bedoeling dat we op onze kleindochter [benadeelde 3] zouden passen. [benadeelde 3] is twee jaar oud. [slachtoffer] zou vandaag aangifte gaan doen bij de politie van valsheid in geschrifte door [verdachte] . Mijn vrouw opende de deur van de woning en zij zag [slachtoffer] op de grond liggen. Mijn vrouw vertelde ook dat ze gas rook. Ik ben vervolgens ook naar binnen gegaan. Ik had toen gevoeld en gekeken of [slachtoffer] nog leefde. Ik voelde dat [slachtoffer] koud was en dat ze er grauw uitzag. Ik rook ook gas. Ik hoorde het gas uit het gasfornuis stromen. Mijn vrouw heeft de gaspit van het gasfornuis dichtgedraaid.

3 Het proces-verbaal van bevindingen betreffende het ingestelde forensische sporenonderzoek in verband met het aantreffen van een stoffelijk overschot d.d. 30 april 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2018358193-15 (…) inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Op 30 november 2018, omstreeks 08:55 uur zijn wij gegaan naar de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . In deze woning was het stoffelijk overschot van de bewoonster, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , aangetroffen.

(…)

Wij hebben geen braakschade geconstateerd aan de deuren en ramen van deze woning.

De voordeur van deze woning gaf toegang tot een T-vormige hal.

Het stoffelijk overschot van [slachtoffer] lag op de vloer van de hal, met de voeten in de richting van de kinderkamer en het hoofd en de armen op de vloer van de keuken.

Foto 4

(…)

Op de vloer tussen het gasfornuis en de koelkast troffen wij een mobiele telefoon van het merk Samsung aan. De voorzijde van deze telefoon hebben wij bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van humaan biologisch celmateriaal. Wij hebben deze bemonstering veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAMI7225NL. De directe lijn over de vloer, tussen deze telefoon en het stoffelijk overschot van [slachtoffer] werd geblokkeerd door de onderzijde van de koelkast. Onder de koelkast was onvoldoende ruimte voor de dikte van de telefoon.

(…)

De positie van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , gezien vanuit de gang en in de richting van de keuken. Zij lag op de buik, met de voeten in de richting van de slaapkamer (kinderkamer) en het hoofd, de borst en de armen op de keukenvloer. Zij was gekleed in een bruine trui met zwart/roze panterprint, een blauwe spijkerbroek en grijze sokken. Wij zagen dat de heupboord, aan de onderzijde van de trui, omhoog was geschoven. Deze heupboord zou reeds omhoog geschoven zijn geweest ten tijde van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] . Wij zagen dat de broekspijp van het linkerbeen aan de onderzijde was gedraaid. (…) Wij zagen dat de tenen van beide voeten in de richting van de woonkamer/slaapkamer (kinderkamer) wezen. Wij zagen dat de linkervoet zich tegen de hoek van de muur bevond.

(…)

Wij zagen dat het hoofdhaar van [slachtoffer] grotendeels met een haarelastiek in een staart bij elkaar was gebonden. Wij zagen dat het haar hierbij niet strak langs de hoofdhuid was gespannen, maar dat de staart "los" zat en het haar losjes om het hoofd lag. Op de rechtermouw van de trui, bij de onderarm, troffen wij een losse pluk haren aan. Deze hebben wij veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAMI7224NL.

(…)

Van beide handen hebben wij de nagels bemonsterd. De bemonsteringen van de nagels van de rechterhand hebben wij veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAMI7229NL. De bemonsteringen van de nagels van de linkerhand hebben wij veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAMI7230NL.

(…)

Op de laminaatvloer in de woonkamer, ter hoogte van de bank, zagen wij een spoor dat bestond uit twee parallel aan elkaar lopende banen. Wij zagen dat deze twee banen nagenoeg ononderbroken doorliepen tot aan de voeten van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] . Vermoedelijk betrof dit spoor een sleepspoor, dat veroorzaakt kan zijn door het over de vloer slepen van twee benen. Hierbij kan dit spoor door wrijving van kledingstukken op de laminaatvloer zijn ontstaan.

Gezien de positie van het stoffelijk overschot, namelijk met de voeten in de richting van voornoemd spoor, werd [slachtoffer] vermoedelijk over de vloer versleept vanuit de woonkamer tot aan de plaats waar zij werd aangetroffen in de hal. Vermoedelijk maakten haar voeten/benen hierbij contact met de vloer en werd haar torso boven de vloer vastgehouden. Zou het lichaam zodanig verplaatst zijn, dat de torso en/of de armen contact maken met de laminaatvloer, valt een ander sporenbeeld te verwachten. Tevens valt in dat geval een andere eindpositie van het stoffelijk overschot in de hal te verwachten. Gezien het uiterlijk voorkomen van dit spoor, achten wij het niet aannemelijk dat dit spoor werd veroorzaakt door andere handelingen, zoals kruipen of tijgeren.

Gezien het feit dat het spoor nagenoeg ononderbroken doorliep, kunnen wij niet uitsluiten dat [slachtoffer] gedurende het verslepen buiten bewustzijn was, danwel reeds was overleden.

Wij hebben in de woning geen voorwerpen aangetroffen die een dergelijk spoor zouden kunnen veroorzaken.

Tevens zagen wij ter hoogte van de bank diverse streepvormige sporen. Wij kunnen niet uitsluiten dat deze sporen tijdens een worsteling zijn ontstaan.

(…)

Om het vermoedelijke sleepspoor in zijn geheel inzichtelijk te kunnen maken, hebben wij de buitenranden van het spoor gemarkeerd met lijnen van wit schilderstape. Het gebied naast dit vermoedelijke sleepspoor, waar diverse streepvormige sporen op de vloer zichtbaar waren, hebben wij tevens gemarkeerd met wit schilderstape.

Foto 20

(…)

Op de vloer onder het bankstel troffen wij een bril aan. Deze bril hebben wij veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAMI7018NL.

(…)

In deze (slaap-)kamer/opbergruimte stonden onder andere een wasrek, een houten kast, twee wasmanden en een kinderstoel opgesteld.

Op de wasmanden troffen wij een sierkussen aan. Op de achterzijde van dit kussen zagen wij een mogelijk speekselspoor. Wij hebben dit sierkussen veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAMI7016NL.

(…)

Ten behoeve van de lijkschouw werd het stoffelijk overschot geheel ontkleed. De kledingstukken hebben wij veiliggesteld, gewaarmerkt en als volgt voorzien van SINs:

- 1 trui met luipaardprint: SIN AAME3648NL.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 november 2018 van de politie Eenheid [plaats] (…) inhoudende de verklaring van de getuige [benadeelde 2] :

Ik was op 29 november 2018 omstreeks 11:00 uur bij [slachtoffer] in de woning. Ik ben daar tot 16:00 uur gebleven. Toen ik wegging hoorde ik dat [slachtoffer] de deur achter mij op het slot draaide.

Ik heb gisterenavond 29 november 2018 19:54 uur nog geappt met [slachtoffer] . [benadeelde 3] lag net op bed en [slachtoffer] zou gaan douchen en tv gaan kijken. Ik heb toen niets meer van [slachtoffer] iets gehoord. Ook zag ik dat zij niet meer op haar telefoon actief was geweest na 19:54 uur.

Toen ik vanochtend bij de woning van [slachtoffer] kwam heb ik mijn sleutel gebruikt. De deur zat niet meer in het slot gedraaid. Ik zag dat [slachtoffer] op haar buik lag. Mijn man heeft toen 112 gebeld. Ik rook een gaslucht en hoorde ook gas stromen. Ik ben toen de keuken ingelopen en heb aan het gasfornuis gedraaid. Ik zag dat de tweede knop van links openstond. Deze heb ik dicht gedraaid. Ik hoorde mijn kleindochter [benadeelde 3] roepen. Ik heb direct de kleine meid uit bed gehaald. Vervolgens kwam de politie en moesten wij de woning verlaten.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 december 2018 van de politie Eenheid [plaats] (…) inhoudende de verklaring van de getuige [benadeelde 2] :

Het was de gaspit linksvoor die open stond. Ik heb al verklaard dat je het gas hoorde lopen. Ik kan u zeggen dat de gaspit helemaal open stond en ik heb meteen de knop van de gaspit helemaal dicht gedraaid. Hij stond echt helemaal open.

6 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut 'Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood' d.d. 21 maart 2019, zaaknummer 2018.11.30.114, (…) opgemaakt en ondertekend door de deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe (arts en forensisch patholoog). Dit rapport houdt onder meer in:

(…)

1 Overledene

Naam [slachtoffer]

Geboortedatum [geboortedatum] 1989

De bovengenoemde persoon is dood aangetroffen te [a-straat 1] in [plaats] op 30 november 2018 omstreeks 08.00 uur.

(…)

5 Resultaten

(Sectie)bevindingen

A. Uitwendig en inwendig

4 Er waren in de bindvliezen van de oogleden beiderzijds (boven- en onderwaarts) enkele puntvormige bloeduitstortingen. Er waren onderhuids rechts in het gelaat, in de haarlijn en achter het rechteroor, enkele puntvormige bloeduitstortingen.

5 Letsel mond (letsel A): in het slijmvlies binnenwaarts van de rechtermondhoek was paarse verkleuring van bloeduitstorting, circa 0,4x0,2 cm.

6 Letsels borstkas (letsels C, D en E): aan de borstkas links hoog, net onder het sleutelbeen, de borstkas rechts schuin onder het rechtersleutelbeen en middenwaarts van de linkerborstklier waren drie huidverkleuringen van bloeduitstortingen, maximaal 2,5x2 cm. Op de letsels C en D is letseldateringsonderzoek verricht. Zie de rapportage, bijlage 2. Letsel C aan de borstkas links betrof een bij leven ontstane (vitale) wond, passend bij een meerdere minuten oud (voor het overlijden) ontstaan letsel. Een letsel richting enkele tientallen minuten oud is niet helemaal uitgesloten.

Letsel D aan de borstkas rechts betrof een bij leven ontstane (vitale) wond, passend bij een enkele tot meerdere minuten oud letsel. Aangezien het letsel slechts zeer focaal was kan niet met zekerheid uitgesloten worden dat de ouderdom van het letsel richting dat van letsels ingesloten in cassettes B en F, dus letsels C en K (richting enkele tientallen minuten vóór het overlijden ontstaan) gaat.

7 Letsel hals (letsel F): laag aan de hals, iets rechts van het midden, was een vage blauwe huidverkleuring van circa 0,5x0,5 cm, van bloeduitstorting. Op dit letsel werd letseldateringsonderzoek ingezet. Rapportage ontvangt u als bijlage 2. Het betrof een bij leven ontstane (vitale) wond, passend bij een enkele tot meerdere minuten oud letsel. Aangezien het letsel slechts zeer focaal was kan niet met zekerheid uitgesloten worden dat de ouderdom van het letsel richting dat van letsels ingesloten in cassettes B en F, dus letsels C en K (richting enkele tientallen minuten vóór het overlijden ontstaan) gaat.

8 Overige letsels (letsels B, G, I tot en met K en M): aan de achterzijde van de rechteroorlel en verspreid aan de ledematen (met name de strekzijde/zijwaarts) waren huidverkleuringen van bloeduitstortingen, maximaal circa 10x3 cm. Op letsels G en K werd letseldateringsonderzoek verricht. Rapportage ontvangt u als bijlage 2.

Letsel G aan de strekzijde van de rechteronderarm betrof een bij leven ontstane (vitale) wond, passend bij een enkele tot meerdere minuten oud letsel. Aangezien het letsel slechts zeer focaal was kan niet met zekerheid uitgesloten worden dat de ouderdom van het letsel richting dat van letsels B en F (richting enkele tientallen minuten vóór het overlijden ontstaan) gaat.

Letsel K aan het linkerbovenbeen betrof een bij leven ontstane (vitale) wond, passend bij een meerdere minuten oud (voor het overlijden) ontstaan letsel. Een letsel richting enkele tientallen minuten oud is niet helemaal uitgesloten. Er waren binnenwaarts van de schedelhuid voor-middenwaarts en rechts voorwaarts twee bloeduitstortingen, plaatselijk tot op het botvlies. Maximaal circa 4,5x5,5 cm.

(…)

Doodsoorzaak

Samengevat: er is hier sprake van plots en onverwacht overlijden bij een jong persoon (29 jaren oud), waarbij bij sectie (macroscopisch, lichtmicroscopisch) en toxicologisch onderzoek geen andere doodsoorzaak is gebleken. Gezien dit gegeven en de bovengenoemde bevindingen van het biochemisch onderzoek namelijk de verhoogde concentratie pinda specifiek IgE, bij verkregen informatie dat zij allergisch zou zijn geweest voor pinda, zou het overlijden van [slachtoffer] kunnen worden verklaard op grond van een anafylactische reactie op pinda (indien er kort voorafgaand aan het overlijden blootstelling is geweest aan pinda).

Indien bovengenoemde niet aan de orde is geweest (geen blootstelling aan pinda kort voorafgaand aan het overlijden), dienen overige oorzaken van het overlijden te worden overwogen namelijk:

- een cardio-genetische aandoening met hartritmestoornissen en overlijden tot gevolg (acute hartdood). Bij plots overlijden waarbij geen andere mogelijke oorzaak voor het overlijden is gebleken, is het niet uitgesloten dat er genetische hartziekte aan de orde is, die zich soms niet laat zien bij macroscopisch en lichtmicroscopisch onderzoek van het hart. Een uitgebreide anamnese van de medische voorgeschiedenis en anamnese van nabestaanden (op acute hartdood of hartritmestoornissen op jonge leeftijd) zou meer inzicht kunnen verschaffen in de waarschijnlijkheid of een dergelijke ziekte aan de orde is. Ondergetekende beschikte niet over die informatie. Indien een cardio-genetische ziekte wordt vermoed verzoek ik u dit sectierapport voor te leggen aan de nabestaanden, die zich kunnen laten onderzoeken in een klinisch-genetisch academisch centrum op eventuele erfelijke hartziekten. Indien daartoe materiaal nodig is, kan ingevroren materiaal dat tijdens de sectie is vastgesteld, na toestemming van de zaaksofficier van justitie, beschikbaar worden gesteld.

- samendrukkend geweld op de hals (verwurging) en/of op de romp door drukken, zitten op de romp waardoor de ademhalingsfunctie wordt belemmerd,

- samendrukkend geweld op de mond/neus (smoren).

Er zijn bij sectie geen letsels aan deze structuren vastgesteld, doch is daarmee niet uitgesloten

dat die geweldsvormen aan de orde zijn geweest omdat deze niet altijd gepaard gaan met letsels.

De bevindingen sub A4, namelijk de puntvormige bloeduitstortingen en de roodheid van het

gelaat, zijn aspecifieke verschijnselen die kunnen worden verklaard als gevolg van:

- postmortale veranderingen (puntvormige veranderingen in lijkvlekken)

- bovengenoemd plotse (acute) hartdood

- bovengenoemd samendrukkend geweld op de hals en/of de romp

- in een enkel geval bij afdrukken van de mond/en neus (smoren)

Of een combinatie van deze.

Het letsel sub A7 was bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch geweld op de hals, zoals stomp botsend geweld (door stoten: vallen, slaan, tegen iets aankomen), bovengenoemd samendrukkend geweld (verwurging) of een combinatie daarvan.

De letsels sub A5 en A6 waren bij leven ontstaan en zouden kunnen duiden op doorgemaakte compressie (op de borstkas, mond), maar kunnen ook anderszins zijn ontstaan (zoals door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld zoals bijvoorbeeld door vallen, slaan, stoten, tegen iets aankomen).

De letsels sub A8 waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp geweld zoals bijvoorbeeld door vallen, slaan, stoten, tegen iets aankomen, aandrukken kan worden opgeleverd en hebben geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood.

(…)

Bijlage 1 Uit- en inwendige schouwing

Uitwendige schouwing

(…)

6 Letsels:

Hoofd

A: in het slijmvlies binnenwaarts van de rechtermondhoek was een paarse verkleuring van circa

0,4 x 0,2 cm die bij insnijden bloeduitstorting toonde.

B: aan de achterzijde van de rechteroorlel was een paarse huidverkleuring van circa 0,9 x 0,5

cm die bij insnijden bloeduitstorting toonde.

Romp

C: aan de borstkas links hoog, net onder het sleutelbeen, was een vage blauwe huidverkleuring

van circa 2,5 x 2 cm die bij insnijden bloeduitstorting toonde. Het is voor wonddateringsonderzoek veiliggesteld in cassette B.

D: aan de borstkas rechts, schuin onder het sleutelbeen, was een vage blauwe huidverkleuring

van circa 1 x 0,8 cm die bij insnijden bloeduitstorting toonde. Bemonsterd voor wonddateringsonderzoek in cassette C.

E: binnenwaarts van beide borstklieren waren twee vage blauwe huidverkleuringen van maximaal 0,6 x 0,5 cm, bij insnijden bleek die aan de linkerzijde een bloeduitstorting, die aan de rechterzijde niet.

Hals

F: aan de hals laag, iets rechts van het midden, was een vage blauwe huidverkleuring van circa 0,5 x 0,5 cm die bij insnijden bloeduitstorting toonde. Bemonsterd voor wonddateringsonderzoek in cassette D.

Ledematen

G: aan de strekzijde van de rechteronderarm hoog was een rood-groene huidverkleuring van

circa 2 x. 1,5 cm van bloeduitstorting. Bemonsterd voor wonddateringsonderzoek in cassette

E.

K: aan de strekzijde en zijwaarts aan het linkerbovenbeen was er vaag bruin-blauwe huidverkleuring van circa 10 x 3 cm die bij insnijden bloeduitstorting toonde. Bemonsterd voor

wonddateringsonderzoek in cassette F.

M: achterwaarts aan het linker boven- en onderbeen min of meer in elkaars verlengde waren drie roodbruine streepvormige huidverkleuringen van 5,3 en 7,5 cm lengte. Ze toonden plaatselijk oppervlakkige krasvormige huidbeschadiging.

Inwendige schouwing

(…)

26 De schedelhuid:

Binnenwaarts van de schedelhuid, voor middenwaarts en iets rechts daarvan, was er een bloeduitstorting van circa 4,5 x 5,5 cm reikend tot op het botvlies van het schedeldak. Zijwaarts

in de schedelhuid, rechts binnenwaarts, was er een bloeduitstorting van circa 2 x 1,5 cm. Uitwendig waren er geen letsels op dit niveau zichtbaar.

7 Een aanvullend bericht van het Nederlands Forensisch Instituut inzake NFI-zaaknummer 2018.11.30.114 d.d. 23 april 2019, (…) opgemaakt en ondertekend door de deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe (arts en forensisch patholoog). Dit bericht houdt onder meer in:

In bovengenoemde zaak heeft u onlangs het definitieve sectierapport ontvangen.

Op pagina 5 van het sectierapport onder punt 8 (zesde regel) staat: 'dat van letsels B en F

(richting enkele tientallen minuten)'. Dit moet zijn: 'cassettes B en F', dus letsels C en K.

8 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut 'Toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer] ' d.d. 26 februari 2019, zaaknummer 2018.11.30.114, (…), opgemaakt en ondertekend door de deskundige drs. R. van der Hulst (apotheker-toxicoloog). Dit rapport houdt onder meer in:

(…)

In het hartbloed zijn totaal IgE en pinda specifiek IgE gemeten in verhoogde concentraties van

respectievelijk 125 kIU/1 en 0,61 kU/1. De combinatie van IgE-concentraties passen bij een doorgemaakte allergische reactie in het verleden, mogelijk tegen pinda-allergenen. Deze resultaten geven een aanwijzing voor een bestaande pinda-allergie.

In het hartbloed is tryptase gemeten in een normale concentratie van 3,4 ug/l. De gemeten tryptaseconcentratie geeft geen aanwijzing voor een doorgemaakte anafylactische shock ten tijde van het overlijden.

Conclusie

3 Op grond van de resultaten van het uitgevoerde toxicologische onderzoek kan een bijdrage

van ethanol (alcohol), drugs, geneesmiddelen en/of bestrijdingsmiddelen aan het overlijden van

[slachtoffer] niet worden geconcludeerd en het overlijden niet worden verklaard.

4 Met het uitgevoerde biochemisch onderzoek in het lichaamsmateriaal van [slachtoffer] zijn geen aanwijzingen verkregen voor een doorgemaakte anafylactische shock ten tijde van het overlijden.

9 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut 'Onderzoek aan maaginhoud van [slachtoffer] aangetroffen in [plaats] op 30 november 2018’ d.d. 27 maart 2019, zaaknummer 2018.11.30.114, (…) opgemaakt en ondertekend door de deskundige dr. ir. A.F.W.M. Wolterink. Dit rapport houdt onder meer in:

7 Conclusie

Er zijn geen fragmenten van pinda's en/of noten in de maaginhoud aangetroffen. DNA van pinda's en/of noten is niet aangetoond.

10 Een aanvullend bericht van het Nederlands Forensisch Instituut inzake NFI-zaaknummer 2018.11.30.114 d.d. 9 mei 2019, (…), opgemaakt en ondertekend door de deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe (arts en forensisch patholoog). Dit bericht houdt onder meer in:

Op 10 april 2019 ontving ik medische documenten afkomstig van 4 huisartsenpraktijken en afkomstig van het Erasmus Medisch Centrum en een FARR bericht. Bovengenoemde documenten werden bestudeerd. Er is op grond van het bovenstaande uit het medisch dossier

geen ander gezichtspunt ten aanzien van die uitgebracht in het aan u reeds verzonden definitieve sectierapport. De overige (ziekelijke) afwijkingen zijn niet relevant voor het overlijden.

11 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut 'Technisch onderzoek naar aanleiding van een incident met een gasfornuis in [plaats] op 30 november 2018' d.d. 23 april 2019, (…), opgemaakt en ondertekend door de deskundige ing. F.W.N. van Rijswijk. Dit rapport houdt onder meer in:

(…) .

Te onderzoeken materiaal: AAIM1204NL

Het betreft een vierpits gasfornuis van het merk “Indesit".

Vraagstelling:

- "Onderzoek het fornuis op mogelijke defecten die ertoe zouden kunnen leiden dat er zonder menselijk handelen gasuitstroom gaat plaatsvinden uit één van de gaspitten. Met name de gaspit links vooraan (brander A), omdat er gas uitstroomde uit deze brander bij aanvang van het incident."

- "Onderzoek welke mate van gevaar (bedwelming/vergiftiging/explosie) er op zou kunnen treden voor bewoners danwel omwonenden door langdurig uitstromen van gas uit met name de gaspit linksvoor (Brander A)."

(…)

5.1.2 Lekdichtheid

Het fornuis werd, met alle branderkranen in gesloten toestand in de testopstelling aangesloten op gas waarvan de druk was ingesteld op circa 25 millibar. Geconstateerd werd dat de meter geen gasuitstroming registreerde.

5.1.3 Debiet

Voor alle branders geldt dat de bedieningsknop eerst ingedrukt moet worden alvorens deze verdraaid kan worden. Pas na indrukken en verdraaien vindt gasuitstroming plaats. Verder werden geen onregelmatigheden aan de gastechnische onderdelen van het fornuis geconstateerd.

(…)

7 Conclusie

Aan het gasfornuis werden geen onvolkomenheden geconstateerd zoals verwijdering of manipulatie van gastechnisch essentiële onderdelen, zodat (onbedoeld) gas zou kunnen stromen uit één of meerdere branders. Langdurig uitstromen van gas uit brander ‘A’ linksvoor, resulteert niet in het ontstaan van een explosief aardgas/lucht mengsel. Er zal dus geen explosiegevaarlijke situatie kunnen ontstaan.

Evenmin valt te verwachten dat gevaar voor bedwelming c.q. verstikking optreedt.

12 Een geschrift, de schriftelijke verklaring van de verdachte, overgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 april 2021 en als bijlage 2 gevoegd bij het proces-verbaal van die terechtzitting, inhoudende de verklaring van de verdachte:

Toen ik opstond om weg te gaan wilde ik haar een kus geven, dit wilde [slachtoffer] niet. Ik heb toen het e.e.a. gezegd wat ik liever niet wil herhalen maar wat in de categorie "grofgebekt" valt. Toen ik klaar was met het grofgebekte merkte ik dat [slachtoffer] best geschrokken was van wat ik allemaal heb gezegd. Toen zij in de deuropening van de woonkamer naar de gang voor me stond en ik weg wilde gaan heb ik haar met beide handen een duw/zet gegeven waardoor [slachtoffer] haar volledige balans verloor en zij in haar val hard met haar hoofd tegen de deurpost/muur kwam. Of [slachtoffer] op dat moment een gil heeft gegeven, zoals buurvrouw [betrokkene 6] "dacht te horen" durf ik u niet te zeggen. Toen [slachtoffer] op de grond lag bewoog ze niet. Ik ben toen over/langs haar heen gestapt en heb de woning met enige paniek verlaten. Ik heb getwijfeld om nog terug de woning in te gaan maar heb in plaats daarvan de voordeur achter me dicht getrokken.

13 Een aanvullend bericht van het Nederlands Forensisch Instituut inzake NFI-zaaknummer 2018.11.30.114 d.d. 25 september 2021, (…) opgemaakt en ondertekend door de deskundige drs. D.J. Rijken (arts en forensisch patholoog). Dit bericht houdt onder meer in:

De onderzoeksopdracht luidt als volgt:

"Het toetsen van de nadere verklaring van de verdachte aan de forensische bevindingen aan het lichaam van het slachtoffer. Het slachtoffer betreft [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1989.(..)”

De geweldpleging zoals door verdachte wordt verhaald (duw met val) kan een deel van het letselbeeld (mogelijk) verklaren, maar biedt onvoldoende verklaring voor het hele letselbeeld (met bloeduitstortingen ter hoogte van de schedelhuid, het rechteroor, het mondslijmvlies, de hals, de borst en de ledematen). Evenmin kan door de verhaalde geweldpleging het overlijden worden verklaard.

De bloeduitstortingen in de oogbindvliezen (sub D2) zijn het gevolg van (bij leven opgetreden) veneuze bloedstuwing. De bloeduitstortingen in de gelaatshuid ontstaan ook door veneuze bloedstuwing, maar kunnen (deels) na het overlijden zijn ontstaan in het kader van lijkvlekvorming. Mogelijke oorzaken van bloedstuwing in het hoofd betreffen een belemmering van de veneuze afvloed ter hoogte van de hals (zoals bij samendrukkend of toesnoerend geweld), een verhoogde druk in de borst (zoals bij versmachting) of ernstig hartfalen. Betreffende bloeduitstortingen kunnen niet worden verklaard door de verhaalde geweldpleging.

De bloeduitstorting ter hoogte van het mondslijmvlies (sub D3) kan passen bij samendrukkende krachtinwerking in de vorm van smoring (belemmering van de ademhaling door afsluiten van de neus en de mond), al dan niet met bijkomende belemmering van de ademhaling door uitwendige druk op de borst (sub D5).

De bloeduitstorting in de hals (sub D4) kan passen bij samendrukkende krachtinwerking in de vorm van wurging; waarbij de bloeduitstortingen in de oogbindvliezen en de gelaatshuid kunnen worden gezien als begeleidende verschijnselen. De afwezigheid van (meer uitgebreid) letsel in de dieper gelegen halsstructuren sluit wurging niet uit.

Bij betrokkene waren er geen aanwijzingen voor ernstig hartfalen (sub D7 en D8).

Voldoende lang aangehouden samendrukkende krachtinwerking op de neus en mond (smoring), hals (wurging) en/of borst (versmachting) kan via zuurstoftekort van de hersenen het overlijden verklaren. Bij uitgebreid forensisch pathologisch onderzoek is een (andere) traumatische, ziekelijk of toxicologische oorzaak van het overlijden niet gebleken.

14 Het proces-verbaal relaas TGO Lunter, gesloten en getekend d.d. 27 juli 2019, van de politie Eenheid Rotterdam (…) inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] :

(…)

In het proces-verbaal waarin het onderzoek plaats delict beschreven wordt (het hof begrijpt: het proces-verbaal van bevindingen betreffende het ingestelde forensische sporenonderzoek in verband met het aantreffen van een stoffelijk overschot d.d. 30 april 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2018358193-15), wordt een onder de bank aangetroffen bril omschreven. Dit bleek later de bril van het slachtoffer te zijn.

15 Een herzien rapport van het Nederlands Forensisch Instituut 'Onderzoek naar biologische sporen van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen in [plaats] op 30 november 2018’ d.d. 8 januari 2019, (…), opgemaakt en ondertekend door de deskundige dr. R.J. Bink. Dit rapport houdt onder meer in:

De politie Eenheid Rotterdam heeft verzocht om de trui AAME3648NL en het kussen AAMI7016NL te onderzoeken op de aanwezigheid van humane biologische sporen en DNA.

Trui AAME3648NL van het slachtoffer

Conform het verzoek in de aanvraag van de Politie Eenheid Rotterdam is de trui bemonsterd ter hoogte van de manchetten, de bovenarmen en de oksels.

Kussen AAMI7016NL

Het kussen betreft een sierkussen voorzien van een decoratieve zijde en een gladde zijde. Op de gladde zijde is visueel een witkleurige vlek zichtbaar.

Het kussen is met een forensische lichtbron onderzocht op de aanwezigheid van vlekken die mogelijk speeksel kunnen bevatten. Hierbij zijn meerdere oplichtende vlekken waargenomen, waaronder de visueel zichtbare vlek op de gladde zijde. Van de visueel zichtbare vlek zijn twee bemonsteringen genomen. Eén van deze bemonsteringen (AAMI7016NL#01) is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek en is nader onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van speeksel. De andere bemonstering (AAMI7016NL#02) is veiliggesteld voor een DNA- en RNA-onderzoek.

Daarnaast zijn de middendelen van de vier zijkanten en de decoratieve zijde afzonderlijk bemonsterd. Op deze plaatsen kunnen zich biologische contactsporen bevinden van diegene(n) die in aanraking is/zijn geweest met het kussen. Deze bemonsteringen zijn als AAMI7016NL#03 tot en met #07 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.

Foto’s van het onderzoeksmateriaal

NFI-zaaknummer 2018.11.30.114 (aanvraag 002 en 003)

16 Het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij het hof te Den Haag van 29 november 2021. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de op 29 november 2021 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van drs. D.J. Rijken (forensisch patholoog):

Vraag 8 van mr. Geurts: Is er bij voldoende lang aangehouden samendrukkende krachtinwerking letsel te verwachten?

Dat is erg wisselend. Dat ligt aan de wijze waarop de kracht wordt toegepast en het ligt ook aan de mate van verzet. Als het bijvoorbeeld met de handen is en het slachtoffer verzet zich niet dan hoeft het weinig letsel na te laten. Als er een nekklem wordt toegepast, dan wordt de druk verdeeld over een groter oppervlak aan de hals, waardoor je minder snel letsel kunt zien.

In 15% van de gevallen zie je niet of nauwelijks letsel.

De raadsheer-commissaris vraagt wat je aan letsel zou kunnen verwachten te zien wanneer een kussen op het hoofd wordt gedrukt.

Je hebt bij een kussen een breed oppervlak waarover de druk wordt verdeeld. Dan zie je minder snel of helemaal geen letsel.

Vraag 9 van mr. Geurts: Maakt daarbij het postuur van diegene die het geweld toepast verschil? Mijn cliënt is bijvoorbeeld 2 meter 8 en weegt 118 kilo.

In zoverre maakt dit verschil dat bij overmacht minder verzet kan worden geboden, waardoor er minder letsel ontstaat. Als je iemand herhaaldelijk moet vastpakken, omdat die zich ontworstelt, heb je meer pakkingen op de hals bijvoorbeeld.

Als iemand zodanig fysiek overwicht heeft, dan zul je naar verwachting minder letsel zien, dan wanneer er minder overwicht is.

Vraag 18 van mr. Geurts: Mocht uw oordeel afwijken van dat van de patholoog die de sectie heeft verricht, kunt u dan aangeven exact op welke punten, hoe u tot deze conclusie bent gekomen en heeft u er een verklaring voor waarom uw oordeel afwijkt?

In de beantwoording van de vraagstelling heb ik eerst gekeken waardoor de bloedstuwing van het hoofd is ontstaan. Dit zit namelijk dichter bij het overlijden dan de ontstane letsels. In het licht van de drie hypotheses die hieruit voortvloeien, kijk je vervolgens naar de letsels.

Vraag 5 van de advocaat-generaal: Welk scenario acht u meer aannemelijk?

Scenario A: het slachtoffer is overleden als gevolg van acuut hartfalen?

Scenario B: het slachtoffer is overleden als gevolg van smoring, wurging of versmachting?

Ik acht scenario B waarschijnlijker.

17 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 december 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…), inhoudende de verklaring van de verdachte:

Ik ben regelmatig bij de woning van [slachtoffer] in de buurt geweest, na het verbreken van de relatie. Ik zat dan thuis en had geen rust. U zegt mij dat ik daar ook nog gezien ben door een buurman. Dat kan kloppen. Ik ben daar geweest op donderdag 29 november 2018 in de ochtend, rond 10.00 uur. Ik heb toen bij de onderbuurman aangebeld omdat ik nog wat spullen moest pakken uit de kelder. [slachtoffer] sliep nog. U vraagt mij hoe ik wist dat [slachtoffer] sliep. [slachtoffer] was niet online geweest op WhatsApp. Ik appte haar 's morgens om te vragen hoe zij geslapen had. U vroeg mij hoe vaak ik in de wijk van [slachtoffer] ben geweest. Dat zal vele dagen geweest zijn in die week, ook in de avond. Ik ben heel vaak in de wijk geweest om tot rust te komen.

V: Toen kwam jij tot een afspraak om daarover te praten op die donderdag.

A: Neen, die afspraak was om de brief van de ING. Ik vond het raar dat een brief van de ING terecht was gekomen op het adres van [slachtoffer] .

V: Goed het werd donderdag 29 november. Jij bent bij [slachtoffer] geweest hoe gaat dat?

A: Ik belde haar ‘s avonds dat ik een formulier had en vroeg of zij dat wilde tekenen omdat zij een achterstand heeft van betaling van €1.100,- bij T-Mobile. Ik belde haar niet maar appte haar dat zij mij moest bellen als die kleine sliep. [slachtoffer] belde mij en toen heb ik haar uitgelegd dat zij moest tekenen omdat er anders een beslaglegging bij haar zou komen. Dit gesprek duurde ongeveer 3 minuten. Ik ben dan al in de omgeving van haar woning. Ik ga naar haar woning en zij deed de deur gewoon open.

V: Hoe lang ben je daar?

A: Met de tijd dat ik haar geknuffeld heb erbij 20 tot 25 minuten.

Dus je bent daar rond half acht, drie over half acht en je gaat hoe laat daar weer weg?

A: Voor achten.

V: Jij gaat daar weg en dan?

A: Ik ga naar [betrokkene 7] naar [plaats] . Ga eerst naar [betrokkene 7] toe en vervolgens naar mijn moeder toe.

V: Hoe laat ben je bij [betrokkene 7] ?

A: Kwart over acht tot tien voor half negen denk ik.

18 Het proces-verbaal Onderzoek Samsung Galaxy S8+ d.d. 7 december 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…) inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] :

Op 1 december 2018 werd onderstaand toestel voor onderzoek aangeboden.

Merk: Samsung

Type: Galaxy S8 +

IMEI-nummer: [IMEI-nummer]

Zoektermen internetgeschiedenis

In de data van het voornoemde toestel zag ik dat er met behulp van de Samsung Internet Browser de Google zoekmachine is gebruikt In de SQLite database “History” op de locatie “\data\com.sec.android.app.sbrowser\app_sbrowser\Default\" zag ik de volgende zoektermen die mogelijk te relateren zijn aan het onderzoek naar voren komen:

Onderzoek bestanden Samsung Internet Browser

Ik zag op de locatie "\data\com.sec.android.app.sbrowser\files” de volgende vier bestanden, namelijk: 1_tab3558, 1_tab3561, 1_tab3568 en 1_tab3577. Ik zag dat deze bestanden op de volgende manier werden weggeschreven op de voornoemde locatie:

1_tab gevolgd door een nummer. Ik zag dat dit nummer opliep.

De voornoemde bestanden herkende ik als zijnde bestanden die worden aangemaakt nadat er door de gebruiker gegevens in de Samsung Internet Browser worden ingevoerd. In de data van deze bestanden werden door mij zoektermen aangetroffen In de onderstaande tabel zijn de door mij aangetroffen zoektermen weergegeven Samen met het bestand waar deze zoektermen werden aangetroffen De datum en tijd van het gebruik van deze zoektermen kon door mij niet worden vastgesteld.

19 Het proces-verbaal 112 meldingen Samsung S8+ [verdachte] d.d. 12 december 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…), inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] :

Gedurende het onderzoek is als verdachte aangehouden [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] . Na zijn eerste verhoor − toen [verdachte] nog als getuige werd gezien − heeft hij een telefoon aan de politie overhandigd. Hij gaf toen aan dat dit zijn telefoon is. Zie proces-verbaal 1812011100. […] . De telefoon die [verdachte] overhandigde was een Samsung S8+ met het IMEI-nummer [IMEI-nummer] .

Ik, verbalisant, heb in de tijdlijn van de telefoon gezocht op de volgende zoekvragen: ‘112 meldingen’, ‘meldingen’ en ‘112‘. In een dergelijke tijdlijn zijn verschillende soort gegevens verwerkt die in de telefoon staan, denk bijvoorbeeld aan oproepen, berichten en internetgeschiedenis. In dit geval betroffen het gegevens van enkele jaren. Uit de zoekvragen kwam naar voren dat er alleen op 29-11-2018 op 112 meldingen is gezocht en dat alleen op 29-11-2018 en 30-11-2018 de website 112meldingen.nl is bezocht. Hieronder worden in tabel 1 de relevante zoekresultaten weergegeven.

20 Het proces-verbaal Berichten conversatie mbt gasfornuis d.d. 5 december 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…) inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] :

Binnen onderzoek TGO Lunter werd een telefoontoestel, een Samsung S6, voorzien van telefoonnummer 06- [telefoonnummer] in beslaggenomen. Dit telefoontoestel bleek in gebruik te zijn geweest bij het slachtoffer [slachtoffer] .

Ik zag dat er op maandag 26 november Whatsapp berichten stonden die onder andere over gas en of over een gasfornuis gingen. Tevens hoorde ik dat op maandag 26 november 2018 er in die Whatsapp spraakberichten, dat er over een gasfornuis en het lekken van gas gesproken werd.

21 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 december 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…), inhoudende de verklaring van getuige [betrokkene 5] :

Ik ben woensdagavond (het hof begrijpt: 28 november 2018) daar gaan koken en heb het gas weer open gezet, want ik had gas nodig om te koken, en heb die bewuste pit linksachter gebruikt om de macaroni te koken en rechtsvoor gebruikt om het gehakt, de saus en de groente te koken. Na het koken heb ik het gas uitgedraaid, maar de hoofdkraan niet dicht gedraaid, en er was helemaal niets geks aan die gaspit. Die pit ging gewoon uit, je hoorde niks.

22 Het proces-verbaal combinatie camerabeelden met WhatsApp-communicatie tussen [verdachte] en [slachtoffer] op de ochtend van donderdag 29-11-2018 d.d. 24 januari 2019 van de politie Eenheid Rotterdam (…), inhoudende de bevindingen van [verbalisant 9] :

Uit onderzoek van camerabeelden in combinatie met historische telecommunicatiegegevens was gebleken dat [verdachte] op de ochtend van donderdag 29 november 2018 al bij de woning van [slachtoffer] aan de [a-straat 1] te [plaats] was geweest. Van het onderzoek van de camerabeelden is proces-verbaal opgemaakt door [verbalisant 10] , hoofdagent van politie Rotterdam . Ik heb zijn bevindingen gecombineerd met de historische telecommunicatiegegevens van de telefoon van [verdachte] en met de WhatsApp-communicatie tussen [verdachte] en [slachtoffer] (afkomstig van de telefoon van [verdachte] ). Hieronder zijn die gegevens chronologisch weergegeven.

09:00:54
Bericht [verdachte]: Ik ga dat doen hoor als dat een optie is. Denk dat dat wel nodig is. Hoop dat je een beetje hebt geslapen.
09:39
Camerabeelden: Aankomst en parkeren [verdachte] met Citroën C! op de [...] komende uit de richting van de [...]
09:55
Camerabeelden: [verdachte] stapt uit en loopt in de richting van portiek [a-straat 1] met capuchon op.
10:00:38
Bericht [verdachte]: Wil je dat ik een formulier laat tekenen door je dat ik op moet draaien voor die schuld t mobile
10:03
Camerabeelden: [verdachte] komt uit de richting van portiek [a-straat 1] en loopt linksaf over de [a-straat] in de richting van [...] met capuchon op.
10:10:16
Bericht [slachtoffer]: Is er daarvoor een formulier dan
10:10:44
Bericht [verdachte]: Ik dacht van wel, dat zal ik eens nagaan want heb in verleden zoiets gehad van [betrokkene 1]
10:11:03
Bericht [slachtoffer]: Oke
10:11:08
Bericht [verdachte]: Kunnen slapen?
10:11:19
Bericht [slachtoffer]: Beetje
10:11:30
Bericht [vardachte]: Beter dan niets toch
10:16
Camerabeelden: [verdachte] komt uit de richting van [...] en loopt weer in de richting van portiek [a-straat 1] met capuchon af en met lichtkleurige handschoenen aan.

23 Het proces-verbaal Samsung S6 [slachtoffer] d.d. 4 december 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…) inhoudende de bevindingen van [verbalisant 7] :

Door de Digitale Opsporing van de Eenheid Rotterdam is de mobiele telefoon van [slachtoffer] uitgelezen. Daaruit blijkt dat in de lijst van inkomende en uitgaande oproepen het laatste belcontact tussen [slachtoffer] en [verdachte] kennelijk is verwijderd. Uit tabel 1 is af te lezen dat het laatste belcontact plaats vond op 29-11-2018 om 19:30:42 (UTC+1).

24 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2022, inhoudende:

Op 29 november 2018 was ik bij het huis van [slachtoffer] in [plaats] . Ik heb haar eerst gebeld. Ze heeft beneden de deur geopend en vervolgens heeft ze boven de deur geopend. Ik mocht gewoon naar boven komen.

Het was een ongemakkelijk gesprek, maar we waren niet boos. Kort daarna maakte ik aanstalten om weg te gaan. [slachtoffer] liep voor mij uit de gang in. Ik wilde haar een knuffel en een kus geven, maar dat wilde zij niet. Zij was daar niet van gediend. Tijdens de knuffel die ik wilde geven, heb ik haar niet beet gehad. Het kroelen en kussen heeft niet plaatsgevonden.

Ik ben mij ervan bewust dat ik één (1) gesprek uit de telefoon van [slachtoffer] heb gehaald. Het kan zijn dat ik die uitgaande oproep heb verwijderd. Ik geloof dat ik dat heb verwijderd.

Nadat ik uit de woning van [slachtoffer] ben gelopen, heb ik voor het portiek een sigaret gerookt. Het duurt nog geen 2 minuten als je rustig naar beneden loopt van de 4e verdieping. De gemiddelde tijd van een sigaretje roken is 3, 4 of 5 minuten. Dat was dus maximaal 10 minuten. Het klopt dat op de camera staat dat ik 20.19 uur naar de auto liep.

U, oudste raadsheer, vraagt of het klopt dat ik [slachtoffer] die dag (het hof begrijpt: 29 november 2018) een aantal keer had geappt. Het klopt dat ik [slachtoffer] die dag een aantal keer had geappt. Ik had de brief van T-Mobile. U zegt dat [slachtoffer] heeft gestuurd dat ik die in de brievenbus moest gooien en dat het erop lijkt dat [slachtoffer] niet wilde afspreken. Ik heb vaker geprobeerd om contact met haar te leggen. Dat wilde ze toen niet.

U, jongste raadsheer, vraagt hoe ik [slachtoffer] heb kunnen overtuigen om toch met elkaar te praten. Ik heb haar gebeld toen ik in de buurt was, met de vraag of ik langs kon komen. Ik wilde een gesprek met haar en haar een stuk geven. Toen ik haar belde met de vraag of ik kon komen, stond ik al beneden.

25 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…), inhoudende de bevindingen van [verbalisant 10] :

Door politieambtenaren werd onderzoek verricht naar eventuele beschikbare camerabeelden in de nabije omgeving van de plaats delict en werden vervolgens de beschikbare opgenomen camerabeelden op/nabij de plaats delict en op de mogelijke aanrij-/vluchtroute van de verdachte(n) veiliggesteld.

Op zaterdag 01 december 2018 werd de persoon [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] als getuige gehoord. [verdachte] verklaart onder andere het volgende:

Met welke auto ben je naar [slachtoffer] gegaan?

- Een Citroen C1 met kenteken [kenteken] . Deze is van mijn moeder. Ik heb de auto toen ook gewoon op de stoep geparkeerd voor de deur. Het was een kwestie van tekenen en wegwezen.

Vervolgens stelde ik een onderzoek in naar de opgenomen camerabeelden van [betrokkene 8] , [a-straat 2] te [plaats] .

Ik zag dat de systeemtijd van deze camerabeelden gelijk liep met de atoomtijd.

Ik zag op donderdag 29 november 2018, omstreeks atoomtijd 19:33 uur, op voornoemde opgenomen camerabeelden van [a-straat 2] , Camera Balkon, dat er een personenauto, gelijkend op een Citroën, type C1, lichtgekleurd en met een roodkleurig dak, reed op de [a-straat] , komende uit de richting van de […] en gaande in de richting van de plaats delict [a-straat 1] te [plaats] . Ik noem deze personenauto verder in dit proces-verbaal: VTG1 (groen omcirkeld).

Vervolgens zag ik, omstreeks atoomtijd 19:33 uur, dat er een persoon via het bestuurdersportier uit VTG1 stapte en via voornoemd middelste trottoirpad in de richting van het portiek van de plaats delict [a-straat 1] te [plaats] liep. Ik zag dat deze persoon in zijn rechterhand een op een telefoon gelijkend voorwerp vasthield en dat deze persoon in zijn linkerhand een wit rechthoekig goed vasthield. Ik noem deze persoon verder in dit proces-verbaal: V01 (rood omcirkeld).

Vervolgens zag ik op donderdag 29 november 2018, omstreeks atoomtijd 20:19 uur, dat V01 opnieuw op voornoemd middelste trottoirpad liep, komende uit de richting van het portiek van de plaats delict [a-straat 1] te [plaats] en gaande in de richting van VTG1. Op dat moment zag ik dat er opnieuw een licht zichtbaar was op het op een telefoon gelijkend voorwerp dat V01 op dat moment in zijn rechterhand vasthield. Tussen voornoemde tijdstippen van de aankomst van V01 omstreeks 19:33/19:34 uur en het vertrek van V01 omstreeks 20:19 uur, heb ik V01 op deze camerabeelden niet waargenomen.

Vervolgens zag ik, omstreeks 20:19 uur, dat V01 nog steeds in de richting van VTG1 liep en dat de alarmlichten van VRG1 oplichten. Vervolgens zag ik dat V01 in VTG1 stapte via het bestuurdersportier.

26 Het proces-verbaal Overzicht van aanwijzingen tegen verdachte [verdachte] d.d. 6 december 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…), inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] :

Het telefoongesprek dat als laatste met haar telefoon was gevoerd, had plaatsgevonden op donderdag 29 november 2018 te 19:30 uur. Het betrof een uitgaande oproep naar haar ex-vriend [verdachte] met wie zij een week eerder de relatie had beëindigd. De registratie van deze oproep bleek handmatig te zijn verwijderd uit de oproepenlijst in de telefoon van het slachtoffer (alle andere oproepen waren teruggaand tot mei 2018 niet verwijderd).

De ex van [verdachte] ( [betrokkene 7] ) verklaarde, uiteindelijk, huilend, dat zij vermoedde dat zij het alibi moest zijn voor [verdachte] . Hij had haar een sms-bericht gestuurd met aanwijzingen hoe laat hij bij haar was geweest (nadat zij hem had verteld dat ze bij de politie een verklaring moest afleggen), de letterlijke tekst was: ‘Wss over HoElaat ik bij je was om 2015 de eerste keer en 2045 met medicijnen de tweede keer.”

Op maandag 26 november 2018 (4 dagen voor het aantreffen van slachtoffer) had [verdachte] via WhatsApp naar slachtoffer een bericht gestuurd: "1 ding moet je doen trouwens dat is wel belangerijk, het gas checken want die 2e van links sluit niet goed”. In de telefoon van slachtoffer was een geluidsfragment van [verdachte] bewaard (verzonden via WhatsApp) waarin hij zei: "Toen ik me spullen had opgehaald, toen rook ik soort van lucht in je keuken en toen heb ik die tweede knop van links van je fornuis, die heb ik gedraaid want die stond een stukje open, of jij heb hem open laten staan of hij is open gegaan dat mot je effe kijken” en “Want misschien ben je er wel tegenaan gekomen dit ie daardoor een stukkie open is gegaan dat kan ook, maar ik heb hem toen een stukje dicht moeten draaien. Dus dat moet je ff checken of dat dat niet weer open is als je er een klein tikkie tegen geeft meer niet.”

Familie en vrienden/bekenden van het slachtoffer verklaarden dat [slachtoffer] nooit risico zou lopen met een defecte gaspit en dat er niks aan de hand was met het gasfornuis in de woning van slachtoffer.

Het laatste verzonden bericht met de telefoon van slachtoffer betreft via WhatsApp verzonden bericht naar haar moeder. Op donderdag 29 november 2018 om 19:46 uur had de moeder van [slachtoffer] naar [slachtoffer] het bericht gestuurd: Ligt [benadeelde 3] al? Nog lekker schoen gezet. (+ emoticon) Alles oké? Als er iets is...bellen hoor. Om 19:54 uur was vanaf de telefoon van slachtoffer geantwoord: Ze ligt nu! Ik ga even douchen en dan lekker tv kijken. Om 19:54 uur had haar moeder als antwoord enkele emoticons gestuurd. Omdat [verdachte] de ontgrendelcode van de telefoon van slachtoffer wist, is het mogelijk dat hij het bericht van 19:54 uur heeft verzonden met de telefoon van slachtoffer.

27 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 januari 2019 van de politie Eenheid Rotterdam (…), inhoudende de verklaring van de getuige [benadeelde 2] :

Maar ik denk wel dat de laatste app die [slachtoffer] naar mij stuurde, dat hij dit heeft gestuurd. Dit denk ik omdat het bericht vrij kort was. Veel korter dan ik gewend ben. Ik vroeg nog, en was het nog gelukt met TNT en heb je het schoentje nog kunnen zetten? En als er wat is bel je dan? En ik kreeg toen alleen als antwoord, ik ga douchen en ik ga tv kijken met een kus. Maar helemaal niet over de rest. En normaal zou ze dat wel doen. En ze zou om 20:00 uur bellen met een vriendin uit [plaats] . En die ging ook steeds appen van is er wat? En zij werd ook ongerust.

V: Herkent u dit kussen? (het hof begrijpt: het kussen dat op de foto pagina 392 is te zien, welke foto als bijlage bij het verhoor is aangehecht)

A: Ja dat kussen ja. Daar had ze er twee van. Die lagen altijd op de bank.

V: En die plek op de wasmanden is niet gebruikelijk?

A: Nee. Die kussens zijn ook niet te wassen. Als ze de kussens van de bank eraf haalt om te slapen dan lagen de kussens altijd opgestapeld aan de kant van de eethoek.

V: Die donderdag de 29e toen u daar overdag was. Lagen toen die beide kussens nog op de bank?

A: Ja wat ik weet wel. Er stonden altijd 2 kussens op de bank. Ik ben er donderdag geweest tussen 11 en 4 en ik gebruikte die altijd in mijn rug. Die donderdag ook.

28 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 december 2018 (gesloten en ondertekend op 9 december 2018) van de politie Eenheid Rotterdam (…), inhoudende de verklaring van de verdachte:

Die telefoon van jou. Op donderdagavond 29 november 2018 om 22.32 uur. [slachtoffer] is dan al dood en jij bent degene die haar woning heeft verlaten. Niemand weet op dat moment dat [slachtoffer] dood in haar woning ligt. Zit jij op 112 meldingen te zoeken.

-Ja weet ik niet maar als je in mijn telefoon kijk zie je dat ik heel vaak op 112 meldingen zit.

Op het moment dat jij je in de woning van [slachtoffer] bevond is het laatste teken van leven geconstateerd. Vanaf haar telefoon werd een appje gestuurd naar moeder. Dit was om 19.54 uur. Wij denken dat jij dit appje heb gestuurd. Wij denken dat omdat anders [slachtoffer] aan haar moeder had laten weten dat jij aanwezig was of langs was geweest. [slachtoffer] koppelde alles terug naar haar moeder.

-Dat weet ik. Dat deed ze altijd al.

29 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 december 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…), inhoudende de verklaring van de verdachte:

Hoe laat was je ongeveer bij [slachtoffer] ?

-Ik denk half acht. Vijf over half acht in de avond.

30 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut 'Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] gepleegd in [plaats] op 29 november 2018' d.d. 14 februari 2019, (…), opgemaakt en ondertekend door de deskundige dr. R.J. Bink. Dit rapport houdt onder meer in:

Bemonstering AAMI7225NL (beeldscherm Samsung telefoon op vloer keuken, naast fornuis) De bemonstering AAMI7225NL is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. In deze bemonstering is geen bloed aangetroffen. De bemonstering is als AAMI7225NL#01 veiliggesteld voor een DNA- en eventueel RNA-onderzoek (zie kader 'RNA-onderzoek').

Bemonsteringen AAMI7229NL en AAMI7230NL van de nagels van het slachtoffer

De vijf bemonsteringen AAMI7229NL van de nagels van de rechterhand en de vijf bemonsteringen AAMI7230NL van de nagels van de linkerhand zijn onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is geen bloed aangetroffen. De bemonsteringen zijn als AAMI7229NL#01 tot en met #05 (nagels rechterhand) en AAMI7230NL#01 tot en met #05 (nagels linkerhand) veiliggesteld voor een DNA- en eventueel RNA-onderzoek.

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek

Bemonstering AAMI7225NL#01 (beeldscherm Samsung telefoon)

Ten behoeve van het berekenen van de bewijskracht (zie ook het kader 'Bewijskracht van het resultaat van vergelijkend DNA-onderzoek’) van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van verdachte [verdachte] en DNA-profiel AAMI7225NL#01 wordt aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.

Onder deze aanname is het resultaat van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] .

Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van één willekeurige onbekende persoon.

Het verkregen DNA-mengprofiel AAMI7225NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Bemonstering AAMI7229NL#03 (nagel rechter middelvinger)

Ten behoeve van het berekenen van de bewijskracht (zie ook het kader 'Bewijskracht van het resultaat van vergelijkend DNA-onderzoek’) van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van verdachte [verdachte] en DNA-profiel AAMI7229NL#03 wordt aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee niet-verwante personen waarvan het slachtoffer [slachtoffer] AALI0131NL er één is.

NB Er is aangenomen dat er DNA van het slachtoffer [slachtoffer] zelf in de bemonstering aanwezig is. Deze aanname is gedaan omdat het DNA-profiel van het slachtoffer matcht met dit DNA-mengprofiel en omdat het een bemonstering van het lichaam van het slachtoffer betreft. Bemonsteringen van het lichaam bevatten doorgaans DNA van de bemonsterde persoon zelf.

Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

Hypothese 3: De bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] en slachtoffer [slachtoffer] .

Hypothese 4: De bemonstering bevat DNA van een willekeurige onbekende persoon en slachtoffer [slachtoffer] .

Het verkregen DNA-mengprofiel AAMI7229NL#03 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is, dan wanneer hypothese 4 waar is.

31 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut 'Aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in [plaats] op 30 november 2018' d.d. 16 april 2019, (…), opgemaakt en ondertekend door de deskundige dr. R.J. Bink. Dit rapport houdt onder meer in:

DNA-onderzoek

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een aanvullend DNA-onderzoek.

Tabel 1. Bemonstering van nagels van het slachtoffer [slachtoffer]

AAMI7229NL#01 Bemonstering van de nagel (rechter duim)

AAMI7229NL#02 Bemonstering van de nagel (rechter wijsvinger)

AAMI7230NL#01 Bemonstering van de nagel (linker duim)

AAMI7230NL#05 Bemonstering van de nagel (linker pink)

Het DNA-onderzoek aan deze vier bemonsteringen is herhaald om te trachten informatievere DNA-profielen te verkrijgen.

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek

Ten behoeve van het berekenen van de bewijskracht (zie ook het kader 'Bewijskracht van het resultaat van vergelijkend DNA-onderzoek') van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van [verdachte] WAAF4463NL en DNA-mengprofiel AAMI7229NL#01 is aangenomen dat deze bemonstering DNA bevat van twee niet-verwante personen.

Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon.

Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van twee willekeurige onbekende personen.

Het verkregen DNA-mengprofiel AAMI7229NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

32 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 9 januari 2020, inhoudende:

Ik ben rond 19:30 uur bij de woning aangekomen. Ik reed in de auto van mijn moeder. Op camerabeelden is te zien dat iemand om 19:33 uur naar de woning loopt. Dat ben ik.

U houdt mij voor dat ik op 29 november 2018 heb aangedrongen dat ik langs mocht komen. Ik antwoord u dat ik [slachtoffer] een brief wilde geven. Het ging om een huisartsverklaring van een tijd geleden. Daaruit bleek dat ik eerder last had gehad van bloedarmoede. Ik heb de huisartsverklaring laten zien die avond aan haar en daarna weer meegenomen.

Toen ik wegging leefde [slachtoffer] nog.

U houdt mij voor dat onder de vingernagels van [slachtoffer] mijn DNA is aangetroffen. U vraagt mij hoe vaak [slachtoffer] douchte. Zij douchte normaal dagelijks.

33 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut 'Digitaal onderzoek aan de gegevens van een Samsung telefoon naar aanleiding van een moord te [plaats] op 29 november 2018' d.d. 6 oktober 2021, (…), opgemaakt en ondertekend door de deskundige A. Boztas, MSc. Dit rapport houdt onder meer in:

Tabel 1 Stukken van overtuiging

SIN Omschrijving aanvrager Omschrijving NFI

AAPA5161NL USB-stick BVH 2018358193 USB stick, Merk: SanDisk,

Capaciteit: 64 GB

Toelichting: SIN [AAPA5161NL] is door het NFI toegekend. USB stick [AAPA5161NL] is een transportmedium om de in tabel 2 beschreven bewijsbestanden naar het NFI te transporteren en is zelf geen object van onderzoek.

Conclusie

Zijn de op de te onderzoeken telefoon aanwezige sporen van het zoeken naar 112 meldingen veroorzaakt door gebruikershandelingen of door een automatisch proces zoals het op de achtergrond verversen van de webpagina.

De aangetroffen sporen over '112 meldingen' in KOPIE_SAMSUNG zijn waarschijnlijker wanneer deze sporen door een gebruikershandeling in de te onderzoeken telefoon zijn terechtgekomen dan wanneer deze sporen door een automatisch proces op de te onderzoeken telefoon zijn terechtgekomen.

34 Het proces-verbaal bevindingen WhatsApp database d.d. 18 december 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…), inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] :

Op 01 december 2018 omstreeks 13:34 uur werd aan mij een mobiele telefoon overhandigd afkomstig van een persoon die later bekend werd als de verdachte [verdachte] . Ik zag dat de mobiele telefoon van het merk Samsung Type S8+ was. Er werd mij verzocht de data aanwezig op de mobiele telefoon veilig te stellen ten behoeve van het onderzoek Lunter. Hierop heb ik onder andere een onderzoek ingesteld naar de in de mobiele telefoon aanwezige WhatsApp gesprekken. De applicatie WhatsApp slaat database bestanden op in de map WhatsApp/Databases. Deze bestanden bevatten de door de gebruiker gevoerde WhatsApp chatgegevens en backup bestanden van deze chatgegevens.

Tijdens onderzoek zag ik dat op 1 december 2018 om 12:31 uur de map Whatsapp/Databases was bewerkt. Ik zag namelijk dat er in deze map geen databases meer aanwezig waren. Verder zag ik dat deze bestanden op 1 december 2018 om 12:35 uur uit de prullenbak waren verwijderd.

35 Het proces-verbaal foto van letsel op telefoon verdachte [verdachte] d.d. 13 december 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…), inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] :

Ik heb de gegevens onderzocht van de telefoon van verdachte [verdachte] .

Ik zag dat er een foto was opgeslagen waarop, naar mijn indruk, oppervlakkig huidletsel van krassen te zien waren op iemands pols. Deze foto viel mij omdat ik wist dat van verdachte [verdachte] na diens aanhouding was gezien dat die soortgelijk letsel had aan zijn linker pols. Daarvan was een foto gemaakt. Ik heb beide foto's vergeleken en zag dat het letsel overeenkwam.

(BFK: volgen twee foto’s)’

9 Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het hof het volgende overwogen:

‘Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld − op de gronden zoals vermeld in de pleitnota, kort en zakelijk weergegeven − dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde nu er onduidelijkheid is over de doodsoorzaak, het aanwezig zijn van enig sleepspoor en de in de telefoon van de verdachte aangetroffen zoektermen, waardoor deze − als de dood al kan worden verklaard uit enig misdrijf − niet redengevend zijn voor de betrokkenheid van de verdachte bij de dood van het slachtoffer, laat staan in de zin van de voorbedachte raad.

Nadere bewijsoverweging

I. Inleiding

Algemene feiten en omstandigheden.

Op 30 november 2018 omstreeks 07.47 uur werd in haar woning aan de [a-straat 1] te [plaats] het levenloze lichaam van de 29-jarige [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer] ) aangetroffen. Zij werd gevonden door haar ouders. De vader zou op de 2-jarige dochter van [slachtoffer] , [benadeelde 3] , passen terwijl de moeder met [slachtoffer] naar de politie zou gaan om aangifte te doen tegen de verdachte die onrechtmatig gebruik zou hebben gemaakt van het paspoort van [slachtoffer] en van haar handtekening om heimelijk een geldlening op haar naam voor zichzelf af te sluiten. [slachtoffer] had, toen zij dat ontdekte, de relatie met de verdachte − met wie zij enige tijd in de woning had samengewoond − op 23 november 2018 beëindigd. Eerder was al aan het licht gekomen dat de verdachte had gelogen dat hij een ernstige bloedziekte had waardoor hij niet kon werken.

[slachtoffer] lag op haar buik, deels op de vloer van de hal met haar voeten in de richting van de kinderslaapkamer en met haar hoofd, borst en armen op de vloer van de keuken. Toen de ouders van [slachtoffer] bij haar lichaam stonden, roken zij een gaslucht en hoorden zij gas uit het gasfornuis stromen. De moeder heeft vervolgens de tweede knop van links van dat fornuis, die helemaal open stond, dichtgedraaid. De vader heeft 112 gebeld en de moeder heeft [benadeelde 3] uit de kinderslaapkamer gehaald en na de aankomst van de hulpdiensten hebben zij de woning verlaten.

De politie is vervolgens begonnen met een onderzoek. Op 6 december 2018 is de verdachte aangehouden op verdenking van moord, dan wel doodslag. Hij is meerdere malen door de politie ondervraagd. In eerste aanleg heeft de verdachte steeds verklaard dat hij geen aandeel heeft gehad in het overlijden van [slachtoffer] . In hoger beroep heeft de verdachte een andere verklaring afgelegd, die hierna onder II en III zal worden besproken. Het hof zal allereerst ingaan op de vraag of een doodsoorzaak kan worden vastgesteld (II). Vervolgens zal het hof ingaan op de vraag of de dood van [slachtoffer] is te wijten aan het handelen van de verdachte (III) en, zo ja, of daarbij dan sprake is geweest van voorbedachte raad (IV).

II. Wat is de doodsoorzaak?

a. De sectie en het biochemische en toxicologische onderzoek.

Naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer] zijn een sectie op haar lichaam, een biochemisch onderzoek en een toxicologisch onderzoek verricht. Uit deze onderzoeken is geen eenduidige doodsoorzaak gebleken. De patholoog-anatoom, dr. Soerdjbalie-Maikoe, heeft geconcludeerd dat vier oorzaken van het overlijden kunnen worden overwogen, te weten:

1 een anafylactische reactie op pinda, indien [slachtoffer] kort voorafgaand aan het overlijden blootgesteld is geweest aan pinda;

2 een cardio-genetische aandoening met hartritmestoornissen en overlijden tot gevolg (acute hartdood), met de aantekening dat een uitgebreide anamnese van de medische voorgeschiedenis van [slachtoffer] en een anamnese van de medische voorgeschiedenis van de nabestaanden meer inzicht moeten verschaffen in de waarschijnlijkheid of een dergelijke ziekte aan de orde is;

3 samendrukkend geweld op de hals (verwurging) en/of op de romp door het drukken of zitten op de romp, waardoor de ademhalingsfunctie wordt belemmerd;

4 samendrukkend geweld op de mond/neus (smoren).

Hoewel bij het pathologisch onderzoek geen letsels aan deze structuren zijn vastgesteld, is daarmee volgens de patholoog-anatoom niet uitgesloten dat de onder 3 en 4 genoemde geweldsvormen toch aan de orde zijn geweest, nu die niet altijd gepaard gaan met letsels.

Bij het pathologisch onderzoek zijn puntvormige bloeduitstortingen vastgesteld in het bindvlies van de oogleden beiderzijds, onderhuids rechts in het gelaat, in de haarlijn en achter het rechteroor (letsel sub A4). Deze puntvormige bloeduitstortingen en de roodheid van het gelaat kunnen worden verklaard door postmortale veranderingen of een acute hartdood, maar ook door samendrukkend geweld op de hals en/of romp en (in een enkel geval) door het afdrukken van de mond en neus (smoren).

Verder zijn bij dit onderzoek meerdere letsels op het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen, waaronder bloeduitstorting aan de binnenzijde van de rechtermondhoek (letsel sub A5), bloeduitstortingen op de borstkas (letsel sub A6), een bloeduitstorting laag aan de hals (letsel sub A7), een bloeduitstorting aan de achterzijde van de rechteroorlel en bloeduitstortingen aan de ledematen (letsel sub A8).

Alle voornoemde letsels zijn bij leven ontstaan en na wonddateringsonderzoek is vastgesteld dat de letsels aan de borstkas (letsel sub A6), aan de hals (letsel sub A7) en aan de ledematen (letsel sub A8) enkele tot meerdere minuten tot enkele tientallen minuten voor de dood van [slachtoffer] zijn ontstaan.

De bloeduitstortingen aan de binnenzijde van de rechtermondhoek (letsel sub A5) en op de borstkas (letsel sub A6) kunnen duiden op doorgemaakte compressie op de mond en borstkas, maar kunnen ook zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, bijvoorbeeld door vallen, slaan of stoten. De bloeduitstorting aan de hals (letsel sub A7) is ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch geweld op de hals, zoals stomp botsend geweld (door stoten, vallen of slaan) door samendrukkend geweld (verwurging) of een combinatie daarvan.

Uit het biochemische onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] aan een (potentieel) dodelijke pinda-allergie leed en dat zij in het verleden een allergische reactie heeft gehad. Een allergische reactie, ook op pinda, kan leiden tot een levensbedreigende, snelle, systemische allergische reactie (een anafylactische reactie) en overlijden. Bij het toxicologische onderzoek zijn evenwel geen aanwijzingen verkregen dat [slachtoffer] een anafylactische reactie heeft doorgemaakt ten tijde van haar overlijden. Zo is in het hartbloed de tryptase gemeten in een normale concentratie van 3,4 µg/l. Ook in de maaginhoud van [slachtoffer] zijn geen fragmenten van pinda’s of noten aangetroffen en DNA van pinda’s of noten is niet aangetoond.

Bij het toxicologische onderzoek zijn ook geen andere in het lichaam van [slachtoffer] aanwezige stoffen aangetroffen die haar overlijden zouden kunnen verklaren.

Naar aanleiding van de kanttekening bij de als tweede door de patholoog-anatoom genoemde mogelijke doodsoorzaak (de acute hartdood), zijn documenten betreffende de medische voorgeschiedenis van [slachtoffer] verstrekt door vier huisartsenpraktijken, het Erasmus MC en de FARR. Deze zijn vervolgens bestudeerd door de patholoog-anatoom. Zij heeft een aanvullend bericht gemaakt. Dat leverde geen andere gezichtspunten op dan in het sectierapport. De (ziekelijke) afwijkingen die naar voren komen uit het medisch dossier, zijn niet relevant geweest voor het overlijden.

b. Het tactische en forensische politieonderzoek.

Op basis van het tactische en forensische politieonderzoek dat naar het overlijden van [slachtoffer] is ingesteld, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden omtrent een mogelijke doodsoorzaak van [slachtoffer] vast.

Toen de ouders van [slachtoffer] op 30 november 2018 in de woning stonden, roken zij een gaslucht. De moeder van [slachtoffer] ontdekte dat de tweede gaspit van links helemaal openstond. Naar aanleiding van Whatsappberichten van de verdachte aan [slachtoffer] , waaronder een spraakbericht, dat de knop horende bij die tweede gaspit open kon gaan als je er een klein tikje tegenaan gaf en om uit te sluiten dat [slachtoffer] is overleden aan verstikking door gas, is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een onderzoek naar het gasfornuis ingesteld. Bij dat onderzoek zijn geen defecten aan het gasfornuis geconstateerd die ertoe hadden kunnen leiden dat (onbedoeld) gas zou kunnen stromen uit één of meerdere branders (gaspitten). De deskundige heeft daarnaast geconcludeerd dat het langdurig uitstromen van gas uit de brander (gaspit) die openstond niet kan leiden tot − voor zover hier van belang − gevaar voor bedwelming dan wel verstikking. De hoeveelheid gas, in combinatie met de ventilatie in de woning, was daarvoor onvoldoende. Het hof komt onder III nog terug op het gasfornuis.

In de woonkamer en in de gang zijn sporen op de laminaatvloer aangetroffen. Zo constateerden de verbalisanten van het Team Forensische Opsporing ter hoogte van de bank, een spoor dat bestond uit twee parallel aan elkaar lopende banen. De verbalisanten vermoedden daarom dat dit spoor een sleepspoor betrof dat kon zijn veroorzaakt door het over de vloer slepen van twee benen, waarbij de romp boven de vloer werd vastgehouden. De verbalisanten vermoedden op basis van deze bevindingen dat, gelet op de positie waarin [slachtoffer] werd gevonden, zij over de vloer is versleept tot aan de plaats waar zij werd aangetroffen en dat zij buiten bewustzijn of al overleden was op het moment dat zij werd versleept, nu het spoor nagenoeg ononderbroken doorliep tot aan de voeten van [slachtoffer] . Zij achtten het hierdoor niet aannemelijk dat het spoor is veroorzaakt door andere handelingen, zoals kruipen of tijgeren. Naast het sleepspoor zagen de verbalisanten ter hoogte van de bank diverse streepvormige sporen, die mogelijk zijn ontstaan tijdens een worsteling. Daarnaast is onder de bank de bril van [slachtoffer] aangetroffen.

Aan het lichaam van [slachtoffer] viel de verbalisanten nog op dat de tenen van beide voeten in de richting van de woonkamer/slaapkamer (kinderkamer) wezen en de linkervoet zich tegen de hoek van de muur bevond. Verder viel het hen op dat het hoofdhaar, dat met een haarelastiek in een staart bij elkaar was gebonden, niet strak langs de hoofdhuid was gespannen, maar dat de staart los zat. Op de rechtermouw van de trui hebben zij verder nog een losse pluk haren aangetroffen. Ook was de heupboord aan de onderzijde van de trui omhoog geschoven en de broekspijp van het linkerbeen aan de onderzijde was gedraaid.

Voorts hebben de verbalisanten, in de aangrenzende kamer, op de wasmand een sierkussen aangetroffen dat was voorzien van een decoratieve zijde en een gladde zijde. Op de gladde zijde is een witkleurige vlek aangetroffen. Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat een aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van speeksel en dat de vlek het DNA van [slachtoffer] bevat, waarbij de DNA-matchkans − en dus de kans dat een willekeurig ander dit profiel nalaat − kleiner is dan één op één miljard. Voorts zijn de vier zijkanten van de decoratieve zijde afzonderlijk bemonsterd, omdat op deze plaatsen zich biologische contactsporen kunnen bevinden van diegene(n) die in aanraking kunnen zijn geweest met het kussen. Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat op twee van deze monsters een DNA-mengprofiel is aangetroffen, met als hoofdprofiel het DNA van de verdachte, waarbij de DNA-matchkans kleiner is dan één op één miljard. De moeder van [slachtoffer] heeft verklaard dat de plek op de wasmand voor dit sierkussen niet gebruikelijk is omdat het kussen niet kan worden gewassen, alsmede dat het kussen van de bank wordt gehaald als [slachtoffer] ging slapen.

c. Het alternatieve scenario van de verdachte en het aanvullend onderzoek van patholoog-anatoom Rijken.

Ter terechtzitting in hoger beroep op 28 april 2021 heeft de verdachte een nieuwe verklaring afgelegd. Kort gezegd heeft hij verklaard dat hij [slachtoffer] een harde duw/zet heeft gegeven ten gevolge waarvan zij hard met haar hoofd tegen de deurpost/een muur is gekomen, dat [slachtoffer] toen op de grond lag en niet meer bewoog en dat hij vervolgens over haar heen is gestapt en de woning heeft verlaten, zonder dat hij heeft gecontroleerd of [slachtoffer] nog leefde. Deze verklaring van de verdachte is ter toetsing aan het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel voorgelegd aan de patholoog-anatoom drs. D.J. Rijken (hierna: Rijken).

Rijken concludeert dat het overlijden van [slachtoffer] niet kan worden verklaard door het door de verdachte geschetste scenario. De geweldpleging zoals die door de verdachte wordt geschetst kan weliswaar (mogelijk) een deel van het letselbeeld bij [slachtoffer] verklaren, maar die geweldpleging biedt onvoldoende verklaring voor het gehele letselbeeld. Zo kunnen de bloeduitstortingen in de oogbindvliezen niet worden verklaard door de door de verdachte verhaalde geweldpleging. Deze zijn het gevolg van (bij leven opgetreden) veneuze bloedstuwing. Veneuze bloedstuwing in het hoofd kan worden veroorzaakt door een belemmering van de veneuze afvloed ter hoogte van de hals (zoals bij samendrukkend of toesnoerend geweld), een verhoogde druk in de borst (zoals bij versmachting) of door ernstig hartfalen. Rijken constateert overigens dat bij [slachtoffer] geen aanwijzingen waren voor ernstig hartfalen.

Ten aanzien van de overige letsels concludeert Rijken nog als volgt. De bloeduitstorting ter hoogte van het mondslijmvlies kan passen bij samendrukkende krachtinwerking in de vorm van smoring, oftewel de belemmering van de ademhaling door het afsluiten van de neus en de mond, al dan niet met bijkomende belemmering van de ademhaling door uitwendige druk op de borst. De bloeduitstorting in de hals kan passen bij samendrukkende krachtinwerking in de vorm van wurging. De bloeduitstortingen in de oogbindvliezen kunnen worden gezien als begeleidende verschijnselen. De afwezigheid van (meer uitgebreid) letsel in de dieper gelegen halsstructuren sluit wurging niet uit, aldus Rijken. Hij concludeert dat voldoende lang aangehouden samendrukkende krachtinwerking op de neus en mond (smoring), hals (wurging) en/of borst (versmachting) via zuurstoftekort van de hersenen het overlijden kan verklaren.

Rijken is op 29 november 2021 nog gehoord bij de raadsheer-commissaris naar aanleiding van zijn hierboven besproken rapport. Hij handhaaft de conclusies zoals die zijn opgetekend in zijn rapport d.d. 25 september 2021. In het verhoor verklaart Rijken verder onder meer dat hij heeft gekeken waardoor de (het hof begrijpt: veneuze) bloedstuwing van het hoofd is ontstaan omdat dit dichter bij het overlijden zit dan de ontstane letsels en over de letsels die te verwachten zijn bij verschillende geweldplegingen. In het algemeen stelt hij dat hoe minder verzet het slachtoffer biedt en hoe groter het fysieke overwicht is, hoe minder letsel te verwachten is.

d. Tussenconclusie.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband bezien, overweegt het hof het volgende.

Ten eerste sluit het hof op grond van de resultaten van het door het NFI uitgevoerde onderzoek naar het gasfornuis uit dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van bedwelming of verstikking door het inademen van gas.

Ten tweede volgt het hof de conclusies van patholoog-anatoom Rijken die hij heeft getrokken na het toetsen van de verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] door een val om het leven zou zijn gekomen. Rijken concludeert dat dit niet past bij het bij [slachtoffer] aangetroffen totale letselbeeld en dat het overlijden door de in die verklaring genoemde geweldspleging niet kan worden verklaard.

Voorts sluiten ook de bij het forensische en tactische politieonderzoek gevonden sporen niet aan bij deze verklaring van de verdachte. De houding waarin het lichaam van [slachtoffer] in de hal is aangetroffen en de bijzonderheden daarbij, zoals hiervoor aangeven, zijn niet te brengen bij de toedracht zoals door de verdachte aangegeven. Daarbij komt nog dat indien [slachtoffer] in de hal om het leven zou zijn gekomen, er geen (sleep)spoor van de woonkamer zou zijn aangetroffen dat precies eindigt bij de voeten van [slachtoffer] in de hal. Ook deze doodsoorzaak wordt daarom uitgesloten.

Daarnaast sluit het hof op grond van de resultaten die uit het biochemische en toxicologische onderzoek zijn gekomen en die hiervoor uiteen zijn gezet, uit dat [slachtoffer] om het leven is gekomen door een anafylactische reactie na het innemen van pinda's. De eerste door de patholoog-anatoom Soerdjbalie-Maikoe genoemde mogelijke doodsoorzaak zal dus buiten beschouwing worden gelaten.

Ook de tweede door Soerdjbalie-Maikoe genoemde mogelijke doodsoorzaak, te weten de acute hartdood, sluit het hof uit. Uit het onderzoek naar de medische voorgeschiedenis van de toen 29-jarige [slachtoffer] , dat zowel door Soerdjbalie-Maikoe als Rijken is uitgevoerd, zijn geen aanwijzingen voor ernstig hartfalen naar voren gekomen. Daarnaast heeft ook hier te gelden dat de sporen die bij het tactisch onderzoek zijn aangetroffen, met name het eerder genoemde sleepspoor − dat niet kan zijn ontstaan als [slachtoffer] als gevolg van acuut hartfalen was overleden − geen ruimte laten voor de conclusie dat [slachtoffer] is overleden na acuut en ernstig hartfalen. Het hof sluit ook die doodsoorzaak uit.

Ten aanzien van de derde en vierde door Soerdjbalie-Maikoe genoemde mogelijke doodsoorzaak neemt het hof de conclusies van beide pathologen-anatomen die zij hebben getrokken ten aanzien van de mogelijke herkomst van de letsels over. Met name Rijken heeft geconcludeerd dat de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels goed kunnen passen bij het smoren en/of versmachten en/of wurgen als doodsoorzaak. Ook het sierkussen met de vlek met speeksel van [slachtoffer] , dat in het tactisch onderzoek naar voren is gekomen, past goed in die toedracht, alsmede de overige bevindingen uit het forensisch onderzoek, waaronder voornoemd sleepspoor.

Op grond van al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat [slachtoffer] om het leven is gekomen door smoren en/of versmachten en/of verwurgen of enige andere wijze van belemmeren van de ademhaling.

III. Is de verdachte de dader?

Nu de vraag of [slachtoffer] door een misdrijf om het leven is gekomen bevestigend is beantwoord, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het de verdachte is die verantwoordelijk is voor haar overlijden. Het hof stelt hieromtrent de volgende feiten en omstandigheden vast en overweegt als volgt.

a. Het tijdspad en het moment van overlijden.

Rond 19.30 uur op 29 november 2018 hebben [slachtoffer] en de verdachte met elkaar gebeld. De verdachte heeft verklaard dat hij toen al in de buurt van de woning van [slachtoffer] was. Op camerabeelden is te zien dat hij om 19.33 uur bij de woning is gearriveerd en naar de ingang van appartementencomplex loopt. [slachtoffer] heeft de deur van het portiek en de voordeur van haar appartement opengemaakt voor de verdachte, zo heeft hij verklaard; hij is toen naar binnen gegaan. Om 19.54 uur is vanaf de telefoon van [slachtoffer] een bericht naar haar moeder gestuurd met de tekst 'Ze ligt nu! Ik ga even douchen en dan lekker tv kijken'. (Het hof begrijpt dat met 'ze' wordt bedoeld: [benadeelde 3] .) Volgens haar moeder was dit bericht veel korter dan normaal. Ook de verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] altijd alles terugkoppelde aan haar moeder, bijvoorbeeld als de verdachte langs was geweest. Ná 19.54 uur zijn de berichten die naar [slachtoffer] 's mobiele telefoon zijn gestuurd niet meer geopend of gelezen. Om 20.00 uur zou [slachtoffer] bellen met een vriendin uit [plaats] , maar dat heeft ze niet gedaan. Na 19.54 uur is dus geen enkel teken van leven vastgesteld, terwijl dat wel verwacht mocht worden. Het is daarom aannemelijk dat [slachtoffer] rond dat tijdstip is overleden.

Op de camerabeelden is vervolgens te zien dat de verdachte om 20.19 uur vanaf de voordeur van het appartementencomplex van [slachtoffer] terugloopt naar zijn auto. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het vanaf de deur van [slachtoffer] 's woning naar beneden ongeveer twee minuten lopen was. Hij heeft voorts verklaard dat hij ongeveer vijf minuten een sigaret heeft staan roken in het portiek beneden, buiten beeld van de camera. Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat de verdachte rond 20.10 uur de woning van [slachtoffer] heeft verlaten.

De verdachte heeft wisselend verklaard over het tijdstip dat hij de woning van [slachtoffer] heeft verlaten. Bij zijn eerste verhoor bij de politie als getuige heeft hij verklaard dat hij rond 19.45/19.50 uur is vertrokken. In het tweede verdachtenverhoor zou hij 20 tot 25 minuten binnen zijn geweest, vóór 20.00 uur zijn weggegaan en ongeveer 20.15/20.20 uur bij zijn ex-partner [betrokkene 7] zijn aangekomen − terwijl hij blijkens de camerabeelden om 20.19 uur wegliep bij het appartementencomplex van [slachtoffer] . Later, waaronder nadrukkelijk bij zijn verklaring ter zitting in hoger beroep, heeft de verdachte steeds verklaard dat hij rond 19.55 uur, maar in ieder geval vóór 20.00 uur de woning van [slachtoffer] heeft verlaten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, waaronder met name het bericht vanaf de telefoon van [slachtoffer] van 19.54 uur in samenhang met de camerabeelden, acht het hof deze verklaringen van de verdachte volstrekt onaannemelijk en zal het die als ongeloofwaardig terzijde schuiven.

In het dossier is geen enkel aanknopingspunt dat, nadat de verdachte de woning heeft verlaten en hij − naar zijn eigen zeggen − eerst beneden in/bij het portiek een sigaret heeft gerookt om vervolgens om 20.19 uur naar zijn auto te lopen en weg te rijden, iemand anders naar/in de woning van [slachtoffer] zou zijn (binnen) gegaan. Daaruit volgt dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] als laatste bij leven heeft gezien.

b. Het DNA van de verdachte op de trui van [slachtoffer] , op het kussen, onder de nagels van [slachtoffer] en op de telefoon van [slachtoffer] .

De trui van [slachtoffer] is op bepaalde plekken door het NFI onderzocht op aanwezigheid van DNA. Bij dit onderzoek is op de linker manchet en de linker oksel van de trui DNA van de verdachte aangetroffen (matchkans is kleiner dan één op één miljard). Ook onder de andere oksel is DNA van de verdachte aangetroffen, maar de deskundige heeft de bewijskracht daarvan niet berekend.

Gelet op het sleepspoor dat van de bank in de woonkamer naar de hal liep en het vermoeden van de verbalisanten dat dit is ontstaan doordat de romp van [slachtoffer] is opgetild, zodat alleen de benen over de grond sleepten, acht het hof het aannemelijk dat [slachtoffer] onder haar oksels is getild. Dat het DNA van de verdachte op die plek op de trui van [slachtoffer] is aangetroffen is dan ook een indicatie

dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] heeft versleept.

Dat de verdachte eerder op de avond met [slachtoffer] op de bank zou hebben gezeten en haar daar ook zou hebben 'geknuffeld' hetgeen zijn DNA op de trui zou verklaren, is door de verdachte ter zitting in hoger beroep weersproken. Bij die gelegenheid heeft hij gezegd dat de situatie ongemakkelijk was en het gesprek moeizaam liep, hij 'grofgebekt' tegen [slachtoffer] is geweest en dat toen hij weg wilde gaan en samen met haar naar de gang liep en hij haar een knuffel en een kus wilde geven, [slachtoffer] daar niet van gediend was en hij geïrriteerd raakte. Juist met zijn laatste verklaring valt niet te rijmen dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op de trui in haar oksels, anders dan dat hij haar daar heeft vastgepakt om te verslepen.

Ook op het sierkussen dat is aangetroffen op de wasmand en waarop een vlek met speeksel van [slachtoffer] is gevonden, zat, zoals reeds overwogen, ook DNA van de verdachte (matchkans is kleiner dan één op één miljard), namelijk op twee van de vier zijkanten en op het middelste gedeelte van de decoratieve kant.

Daarnaast is DNA van de verdachte gevonden onder de nagels van [slachtoffer] , te weten onder de nagels van de rechter duim, de rechter middelvinger, de linker duim en de linker ringvinger. De verdachte heeft ter zitting bij de rechtbank hierover verklaard dat hij en [slachtoffer] een week eerder nog seksueel contact hebben gehad en dat zijn DNA op die manier onder [slachtoffer] 's nagels terecht heeft kunnen komen. Daargelaten de geloofwaardigheid van die verklaring, gelet op het tijdsverloop en het gegeven dat [slachtoffer] tussentijds haar handen meermaals zal hebben gewassen, stelt het hof vast dat krassen op de linker pols van de verdachte zijn aangetroffen, welke krassen kunnen worden geduid als afweersporen waarmee dit DNA-spoor onder de nagels van [slachtoffer] kan worden verklaard. De verdachte heeft van de krassen met zijn telefoon een foto gemaakt op 29 november 2018 om 21.48 uur. De verklaring van de verdachte dat de hond van [betrokkene 7] , zijn ex-partner, die krassen heeft veroorzaakt, acht het hof onaannemelijk, gelet op de verklaring van [betrokkene 7] bij confrontatie met voornoemde verklaring van de verdachte en het feit dat bij krassen van hondennagels een ander letselbeeld te verwachten is, namelijk een smaller krasbeeld dan op de door de verdachte zelf gemaakte foto, en een minder grote afstand tussen de evenwijdig lopende krassen dan op die foto is te zien.

Tot slot is de telefoon van [slachtoffer] onderzocht op DNA. Hierbij is uitsluitend het DNA-profiel van de verdachte aangetroffen (matchkans is kleiner dan één op één miljard).

c. Het zoeken naar 112-meldingen.

De verdachte heeft, nadat hij de woning van [slachtoffer] heeft verlaten op 29 november 2018 en voordat haar lichaam werd gevonden op 30 november 2018, veertien keer gezocht op 112-meldingen. Meer in het bijzonder ook meldingen in de wijk/buurt van de woning van [slachtoffer] . De verdachte begon met zoeken om 22.32 uur en ging daarmee door tot diep in de nacht, tot ongeveer 03.17 uur. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij regelmatig op zijn telefoon naar 112-meldingen zocht, maar onderzoek in de telefoon van de verdachte naar dergelijke zoekslagen in de voorgaande jaren heeft uitgewezen dat die verklaring hoogst onaannemelijk is. Buiten 29 en 30 november 2018 zijn er namelijk geen soortgelijke resultaten op de telefoon van de verdachte gevonden. Ook in hoger beroep is door het NFI onderzoek verricht naar de zoekresultaten. In dit onderzoek lag de vraag voor of het zoeken naar 112-meldingen kon zijn veroorzaakt door een automatisch proces, zoals het op de achtergrond verversen van de webpagina. De deskundige van het NFI heeft ten aanzien van de aangetroffen sporen over 112-meldingen in de telefoon van de verdachte geconcludeerd dat waarschijnlijker is wanneer deze sporen door een gebruikershandeling in de telefoon zijn terechtgekomen dan wanneer deze sporen door een automatisch proces in de telefoon zijn terechtgekomen.

Dit vormt voor het hof een aanwijzing dat de verdachte al wist dat [slachtoffer] (vermoedelijk) was overleden en zocht of zij al gevonden was.

d. De wisselende verklaringen van de verdachte.

Hiervoor is reeds overwogen dat de verdachte over het tijdstip dat hij de woning van [slachtoffer] heeft verlaten, wisselend heeft verklaard. Eveneens heeft de verdachte steeds iets anders verteld als het gaat om de reden waarom hij de avond van 29 november 2018 bij [slachtoffer] op bezoek is gegaan. Zo zou het gaan om het tonen aan [slachtoffer] van een brief van een arts waaruit zou blijken dat hij ooit wel een medisch probleem had gehad in verband met zijn bloed, vervolgens zou het gaan om een liefdesbrief die hij wilde voorlezen om ten slotte te verklaren dat [slachtoffer] een adreswijziging/mutatie moest ondertekenen van een T-Mobile abonnement, welke mutatie de verdachte op weg naar de woning van [slachtoffer] in de ochtend van 30 november 2018 in de brievenbus zou hebben gedaan; T-Mobile heeft een dergelijke adreswijziging overigens nimmer ontvangen, zo is uit onderzoek gebleken.

Ook over zijn eventuele betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] heeft de verdachte bij herhaling andersluidende verklaringen afgelegd. Zo ook ter zitting in hoger beroep. Waar de verdachte in eerste aanleg nog verklaarde dat hij niets te maken heeft met de dood van [slachtoffer] en dat zij nog leefde toen hij wegging, heeft hij op de zitting van het hof van 28 april 2021 een verklaring afgelegd dat hij [slachtoffer] een duw heeft gegeven waarna zij met haar hoofd tegen de muur is gekomen, is gevallen en bewegingsloos is blijven liggen. Hij zou haar met beide handen hard tegen de borst hebben geduwd. Op de zitting van 10 februari 2022 heeft de verdachte aanvankelijk evenzo verklaard en vervolgens zijn verklaring wederom aangepast en gezegd dat hij haar niet tegen de borst, maar tegen de rug, onder de nek, heeft geduwd.

e. Tussenconclusie.

Het hof gaat er, gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, van uit dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer] voor het laatst in leven heeft gezien.

Voorts is uit het forensisch onderzoek gebleken dat het DNA van de verdachte op cruciale plekken is aangetroffen, te weten op de trui in de oksels van [slachtoffer] , terwijl zij vermoedelijk is versleept, op een sierkussen waarmee zij vermoedelijk is gesmoord, al dan niet in combinatie met versmachten en/of (ver-)wurging, onder haar nagels en op haar telefoon.

Het hof neemt verder in aanmerking dat de verdachte ten opzichte van [slachtoffer] een groot fysiek overwicht had. De verdachte heeft een lengte van 2,08 meter en weegt ongeveer 118 kilogram. [slachtoffer] was 1,61 meter lang en woog ongeveer 61 kilogram. De onder II reeds aangehaalde patholoog-anatoom Rijken heeft bij zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris op 29 november 2021, naar aanleiding van een vraag (9) van de raadsvrouw in het kader van het aangetroffen letselbeeld, namelijk of het postuur van degenen die het geweld toepast verschil maakt, opgemerkt dat "bij overwicht er minder verzet kan worden geboden door het slachtoffer waardoor er minder letsel ontstaat” en dat "als iemand zodanig fysiek overwicht heeft, je naar verwachting minder letsel zal zien dan wanneer er minder overwicht is”. Het hof is dan ook van oordeel dat de onder II genoemde doodsoorzaak en het in dit verband aangetroffen letselbeeld, ook gezien het fysieke overwicht van de verdachte op [slachtoffer] , passend is bij zijn rol als dader.

De verdachte heeft bovendien na afloop van zijn daad gezocht op 112-meldingen, kennelijk om na te gaan of het door hem begane misdrijf reeds was ontdekt.

De verdachte heeft daarnaast op al deze punten steeds wisselende en ongeloofwaardige of aantoonbaar onjuiste verklaringen afgelegd, kennelijk zodat zijn verklaring beter in het sporenbeeld zou passen. Steeds als het dossier werd aangevuld of aangepast, veranderde de verklaring van de verdachte immers in lijn met het dossier.

Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, maakt dan ook dat het hof van oordeel is dat de verdachte degene is die [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door smoren en/of versmachting en/of verwurgen of op enige andere wijze van belemmeren van de ademhaling.

IV. Is er sprake van voorbedachte raad?

Nu het hof heeft vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, komt het toe aan de beantwoording van de vraag of hij dit met voorbedachte raad heeft gedaan. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

a. Het juridisch kader.

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden en rekenschap te geven is weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

b. De week voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer] en het forceren van een ontmoeting.

De verdachte heeft verklaard dat hij in de periode tussen het verbreken van de relatie op 23 november 2018 en het overlijden van [slachtoffer] op 29 november 2018 heel vaak in de nabijheid van de woning van [slachtoffer] is geweest, naar eigen zeggen omdat dat hem rust gaf. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij [slachtoffer] op 29 november 2018 een aantal keren berichten heeft gestuurd en dat hij die week vaker heeft geprobeerd om contact te leggen, welk contact zij afsloeg.

Op 26 november 2018 heeft de verdachte aan [slachtoffer] verschillende tekst- en spraakberichten gestuurd waarin hij heeft aangegeven dat zij voorzichtig moest zijn met het gasfornuis, omdat de tweede knop van links een stukje openstond, waardoor er gas zou ontsnappen. Hij heeft ook gestuurd dat zij 'geen gekke dingen moet doen'. [slachtoffer] heeft aangegeven dat er niets met het fornuis aan de hand was en heeft de verdachte gevraagd of hij haar bang probeerde te maken. Ook de zus van [slachtoffer] , die daags voor haar overlijden nog had gekookt in het appartement van [slachtoffer] , heeft verklaard dat er niets mis was met het gasfornuis en dat [slachtoffer] het meteen had laten repareren als er wel iets zou zijn geweest.

Vanaf 27 november 2018 heeft de verdachte op internet gezocht naar manieren om iemand van het leven te beroven. Het betreft onder meer de volgende zoektermen:

‘Strychine, dodelijke vloeistof zonder spoor, brevetoxine, sodium azide (kopen), wat gebeurt er als je bio ethanol drinkt, pindakaas verdunnen door koffie, iemand vergiftigen zonder sporen, arsenicum (kopen), poederbrief, cyanide uit kersenpit halen, pindakaas reukloos oplossen, iemand wurgen zonder sporen, halsslagader dichtknijpen, iemand doden met kussen, iemand laten stikken en stikken door gas'.

De verklaring van de verdachte dat hij die termen zocht omdat hij zelfmoord overwoog nadat [slachtoffer] de relatie had verbroken, lijkt niet in overeenstemming met de aard van de gezochte termen, nu een aantal daarvan, zoals 'halsslagader dichtknijpen' en 'iemand doden met een kussen' niet geschikt zijn als methode om zelfmoord te plegen.

Gelet op de hiervoor onder II vastgestelde doodsoorzaak in samenhang met de omstandigheid dat de verdachte op het internet heeft gezocht met zoektermen als 'Iemand wurgen zonder sporen', 'Iemand doden met kussen' en 'Iemand laten stikken' maakt naar het oordeel van het hof dat de verdachte heeft gehandeld met een vooropgezet plan.

De voorgaande conclusie volgt naar oordeel van het hof evenzeer uit het navolgende.

Op 29 november 2018 rond 09.30 uur is de verdachte bij de woning van [slachtoffer] gezien. Hij heeft rond 10.00 uur een bericht naar [slachtoffer] gestuurd met de vraag of zij een formulier van T-Mobile voor hem wilde ondertekenen. Hij heeft meerdere malen gevraagd of [slachtoffer] alleen thuis was en of hij iets persoonlijk kon komen afgeven. Al die tijd is hij in de buurt van de woning van [slachtoffer] . Het initiatief tot contact lag steeds bij de verdachte. Later, rond 10.52 uur, heeft de verdachte gestuurd: "Dat is het enige wat ik persoonlijk van je vraag, dat je het zelf aanneemt en opent. Geen liefdesbrief hoor maar een verklaring". Op de vraag van [slachtoffer] om wat voor verklaring het ging, stuurde hij de mededeling "de dokter"; een andere reden om haar te ontmoeten dan hij die ochtend gaf. Daarop heeft de verdachte weer het bericht gestuurd dat hij graag zou willen dat [slachtoffer] die verklaring aanneemt en opent. Rond 12.45 uur heeft de verdachte gevraagd of ' [betrokkene 3] ' (het hof begrijpt: [benadeelde 3] ) nog naar bed gaat en of hij langs [slachtoffer] kan komen voor een handtekening op het aanvraagformulier voor het overnemen van de schuld. Toen [slachtoffer] reageerde dat haar dochter niet naar bed zou gaan, liet de verdachte weten dat het wel een andere keer zou komen: "Of als ze (het hof begrijpt: [benadeelde 3] ) ‘s avonds een keer ligt. Dan kunnen we dit T-mobile snel afhandelen.” [slachtoffer] reageerde door te zeggen dat de verdachte die brief dan maar in haar brievenbus moest doen. Het hof begrijpt daaruit dat [slachtoffer] geen direct contact met de verdachte meer wilde.

De verdachte heeft het hier echter niet bij gelaten. Tussen de verdachte en [slachtoffer] is, nadat zij die avond rond 18.30 uur thuis kwam, contact via Whatsapp. Rond 19.30 uur hebben de verdachte en [slachtoffer] met elkaar gebeld, welk telefoongesprek later door de verdachte is gewist. De verdachte was ook toen al in de buurt van het huis van [slachtoffer] . Ná dat telefoongesprek, waarvan de inhoud niet bekend is geworden en waarover de verdachte geen inhoudelijke verklaring heeft willen afleggen, is de verdachte door [slachtoffer] − uiteindelijk − binnengelaten.

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Verbonden uitspraken