HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1947

Moord op zijn 10-jarige zoon, art. 289 Sr. 1. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep. Beroep op overschrijding redelijke termijn niet voor het eerst in cassatie. 2. Schriftuur benadeelde partij (moeder). Is voldaan aan voorwaarden voor toekenning van schadevergoeding wegens shockschade? Ad 1. In het geval dat zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in tegenwoordigheid van verdachte en/of zijn raadsman en op tz. niet een verweer is gevoerd over overschrijding van redelijke termijn, moet worden aangenomen dat verdachte niet langer dan redelijk is onder dreiging van (verdere) strafvervolging heeft geleefd. Klacht in cassatie over overschrijding van redelijke termijn a.g.v. tijdsverloop voor bestreden uitspraak, kan in zo’n geval niet slagen (vgl. HR:2008:BD2578). Blijkens p-v van tz. in hoger beroep is zaak behandeld in aanwezigheid van verdachte en zijn raadsvrouw en is door of namens verdachte geen verweer gevoerd over overschrijding van redelijke termijn. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. de in art. 6:106.b BW bedoelde aantasting van persoon ‘op andere wijze’, HR:2016:2201 m.b.t. shockschade, waarbij schade niet is geleden door persoon die is gedood of gewond a.g.v. tlgd. feit maar door naaste, en HR:2021:1024 m.b.t. geestelijk letsel van persoon die zelf slachtoffer is van tlgd. feit. Dat verschil bestaat in beoordeling van enerzijds shockschade en anderzijds alle andere schade die het gevolg is van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW, hangt hiermee samen dat in geval waarin het gaat om vergoeding van shockschade de aansprakelijkheid berust op onrechtmatige daad van pleger van tlgd. feit, niet alleen jegens degene die dientengevolge is gedood of gekwetst maar ook jegens b.p. bij wie door het waarnemen daarvan of door directe confrontatie met ernstige gevolgen ervan, hevige emotionele schok is teweeggebracht. Wegens schending van deze norm o.g.v. art. 6:106.b BW te vergoeden schade is beperkt tot (gevolgen van) het uit emotionele schok voortvloeiende geestelijk letsel als dit voldoet aan de uit vaste rechtspraak (HR:2002:AD5356) voortvloeiende eisen. Hof heeft met het oog op beoordeling van vordering b.p. v.zv. die strekt tot vergoeding van shockschade, vastgesteld dat (i) b.p. een consult heeft gehad bij psycholoog en dat behandelaar (zonder diagnose te stellen) een beeld zag van een ernstig getraumatiseerde vrouw, (ii) het wegens drukte bij en ziekte van b.p. niet is gekomen tot tweede afspraak bij psycholoog en (iii) blijkens mededeling van huisarts de b.p. bij praktijkondersteunende psychologen is geweest “in verband met de verwerking”. Hof heeft geoordeeld dat op grond hiervan niet is komen vast te staan dat bij b.p. sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, voortvloeiend uit hevige emotionele schok door directe confrontatie met ernstige gevolgen van strafbaar feit. Dit oordeel, dat mede ten grondslag ligt aan beslissing om b.p. n-o te verklaren in vordering tot immateriële schadevergoeding, geeft in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld, niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. overschrijding redelijke termijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken