HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902

Doodslag op drie vrouwen (art. 287 Sr) en wegmaken van lijk van één van hen (art. 151 Sr). 1. Bewijsklacht doodsoorzaak slachtoffer A. 2. Kennelijke leugenachtigheid. Heeft hof deel van verklaring van verdachte als kennelijk leugenachtig aangemerkt? 3. Bewijsklacht opzet op dood slachtoffer A. 4. Schakelbewijs. 5. Voorwaardelijke invrijheidsstelling. Behelst wijziging van regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling wijziging van straf a.b.i. art. 7 EVRM? 6. Redelijke termijn in hoger beroep. Kon hof volstaan met constatering dat redelijke termijn is overschreden? Ad 1. Hof heeft overwogen dat hoewel slachtoffer was gediagnosticeerd met ADHD en borderline persoonlijkheidsstoornis, dagelijks drugs en methadon gebruikte en slechts 46 kilo woog, dossier geen aanknopingspunt biedt voor onverwachte natuurlijke dood. Hof heeft daarbij betrokken dat slachtoffer volgens getuige niet onder medische of psychologische behandeling was en dat dossier ook overigens geen aanwijzingen bevat dat zij kampte met medische klachten of leed aan ernstige ziekte. In aanmerking genomen dat hof daarnaast bij zijn oordeel omstandigheid heeft betrokken dat natuurlijk overlijden in beginsel niet is te verenigen met feit dat lichaam van slachtoffer tot op heden niet is gevonden, is oordeel niet onbegrijpelijk. Ad 2. Cassatiemiddel miskent dat hof niet heeft geoordeeld dat verklaring van verdachte als kennelijk leugenachtig moeten worden aangemerkt, maar dat het - niet onbegrijpelijk - heeft beargumenteerd dat het verklaring van verdachte niet geloofwaardig acht. Klacht mist feitelijke grondslag. Ad 3. Hof heeft oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte slachtoffer opzettelijk van leven heeft beroofd ten eerste gebaseerd op vaststelling dat verdachte laatste persoon is die haar levend heeft gezien. Daarnaast heeft het dit oordeel gegrond op o.m. uitvoerige vaststellingen over gedrag van verdachte na laatste telefonische contact dat slachtoffer had. Uit gedragingen heeft hof afgeleid dat verdachte het heeft willen doen voorkomen dat slachtoffer nog leefde nadat zij bij hem was geweest. Hof heeft daarnaast betekenis toegekend aan o.m. feit dat verdachte zich niet bij politie heeft gemeld nadat hij op hoogte was geraakt van vermissing van slachtoffer, en feit dat hij zich van zijn telefoon heeft ontdaan en zelf enige tijd is ondergedoken. Oordeel van hof is daarmee, ook zonder dat is komen vast te staan op welke wijze slachtoffer (wier lichaam niet is gevonden) om het leven is gebracht, niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt HR in aanmerking dat hof aan oordeel dat het verdachte was die slachtoffer van leven heeft beroofd en haar lichaam heeft weggemaakt kennelijk en niet onbegrijpelijk conclusie heeft verbonden dat deze gedragingen naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer op dood van slachtoffer waren gericht dat daaruit opzet op dood kon worden afgeleid. Ad 4. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2017:3118 en HR:2019:1455 m.b.t. schakelbewijs. Hof heeft in oordeel dat verdachte feiten heeft begaan, betrokken dat bewijs van afzonderlijke feiten bewijs van feiten gezamenlijk versterkt. Hof heeft in dat verband overwogen dat patroon zichtbaar is waarbij verdachte zich herhaaldelijk heeft vergrepen aan vrouwen in (vaak) kwetsbare positie. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat de vrouwen vielen in leeftijdscategorie 26 tot 30 jaar en werkzaam waren als prostituee in Amsterdam, dat verdachte met de vrouwen, voorafgaand aan hun overlijden, seksuele handelingen heeft verricht en dat verdachte zich vervolgens van het stoffelijk overschot van de drie vrouwen heeft ontdaan. In die overwegingen besloten liggende oordeel van hof dat wijze waarop onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 5. In art. 6:2:10 Sv vervatte regeling voorziet in mogelijkheid aan veroordeelde tot vrijheidsstraf voorwaardelijke invrijheidsstelling te verlenen. Regeling heeft betrekking op executie van een opgelegde straf. Wijziging van regeling kan dus niet worden aangemerkt als wijziging van wetgeving ten aanzien van strafbaarstelling of strafbedreiging. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat toepassing van bepaling op gevallen waarin na 1 juli 2021 veroordeling is uitgesproken voor strafbaar feit begaan voor 1 juli 2021 in strijd is met art. 7 EVRM. Ad 6. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BD2578 m.b.t. duur van redelijke termijn en rechtsgevolgen van overschrijding van redelijke termijn. Oordeel van hof is niet toereikend gemotiveerd, nu hof niet tot uitdrukking heeft gebracht in welke mate redelijke termijn is overschreden en welk tijdsverloop was gemoeid met door het hof genoemde onderzoeken. HR doet zaak zelf af en vermindert aan verdachte opgelegde gevangenisstraf van 19 jaren en 11 maanden met 3 maanden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken