HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:177
Gewapende overvallen op coffeeshop en woningen. 1. Verzoek tot gijzeling van getuige, art. 294.1 Sv, 2. Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling, art. 15i Sr, 3. Vordering b.p., onevenredigheidscriterium. Ad. 1. Afwijzing van het verzoek tot gijzeling van getuige. Het oordeel van het Hof dat een gijzeling van de getuige, een medeverdachte, niet dringend noodzakelijk is voor het onderzoek, waarbij het Hof in aanmerking heeft genomen dat de getuige zich in detentie bevindt en een gijzeling derhalve “niet effectief” is, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad. 2. Tijdstip waarop vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling door het OM moet worden ingediend. “Onverwijld” ex art. 15i.2 Sr. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:2647 betreffende de rechtsgevolgen die kunnen worden verbonden aan de niet-naleving van art. 15i.2 Sr. Het oordeel van het Hof dat de vordering niet zodanig laat is ingediend dat zulks dient te leiden tot de afwijzing van de vordering, is niet onbegrijpelijk. Ad 3. Middel b.p. betreffende niet-ontvankelijkverklaring vordering b.p. m.b.t. vergoeding van verhuis-, aan- en verkoopkosten. Het Hof verklaarde b.p. n-o in haar vordering op de grond dat de behandeling van de vordering met het oog op beantwoording van de vraag of voldaan is aan het vereiste rechtstreeks verband tussen die schade en het bewezenverklaarde feit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl