Conclusie A-G Wattel 7 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:354
Rijnvarende in dienst van Luxemburgs uitzendbureau werkt voor Nederlandse scheepsexploitant en is verzekerd in Nederland, maar zijn werkgever heeft ten onrechte premies in Luxemburg betaald; Svb weigert een uitzonderingsprocedure ex art. 16 Vo. (EG) 883/2004 met Luxemburg. Is dat een appellabele beschikking? Gaat de Hoge Raad over zo’n weigering, gegeven de beperkte cassatiecontrole (art. 6 jo. 53 AOW)? Feiten: De belanghebbende werkte van 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014 aan boord van een rijnvaartschip, dat volgens hem in Luxemburg werd geëxploiteerd. In Luxemburg zijn toen sociale-verzekeringspremies voor hem betaald. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) acht hem echter in Nederland verzekerd omdat de exploitant volgens de Svb in Nederland is gevestigd, waardoor ook premies zijn geheven in Nederland. De belanghebbende heeft de Svb verzocht om, zo nodig op basis van de uitzonderingsprocedure van (art. 13 RVV of) Verordening (EG) 883/2004, te bepalen dat hij uitsluitend sociaal verzekerd was in Luxemburg en geen premies verschuldigd was in Nederland. De Svb heeft de verzoeken voor 2010 en 2011 opgevat als een verzoek om herziening van eerdere Svb-besluiten omtrent de verzekeringsplicht en heeft die afgewezen omdat geen nieuwe feiten bleken en die eerder besluiten evenmin onjuist waren. Het verzoek om een uitzonderingsprocedure is (ook) voor de overige jaren afgewezen. De daartegen gerichte bezwaren zijn ongegrond verklaard. Geschil: naast diverse klachten waarop de conclusie niet ingaat: heeft de Svb de verzoeken om een uitzonderingsprocedure met Luxemburg terecht afgewezen? De Rechtbank Rotterdam meent dat de Svb de (herzienings)verzoeken over tijdvakken na 1 mei 2010 (inwerkingtreding Vo. (EG) 883/2004), had moeten doorzenden naar Luxemburg. De belanghebbende wilde immers toepassing van de Luxemburgse wetgeving; de Svb was derhalve niet bevoegd het verzoek in behandeling te nemen. De Centrale Raad van Beroep daarentegen stelde de Svb in het gelijk. De belanghebbende stelt acht cassatiemiddelen voor. A-G Wattel gaat alleen in op de klachten wordt over de afwijzing door Svb van het verzoek om op basis van art. 16 Vo. (EG) 883/2004 een uitzonderingsprocedure met Luxemburg te openen over de sociale-verzekeringsplicht. Voor de overige klachten verwijst hij naar de acht conclusies met gemeenschappelijke bijlage van 7 mei 2020 voor de acht arresten van de Hoge Raad van 10 juli 2020 (HR BNB 2020/142 enz.). A-G Wattel meent dat de cassatiebepalingen in de artt. 53 AOW, 66 Anw, 31 AKW en 10.3.2 WLZ de Hoge Raad geen rechtsmacht geven om te oordelen over (i) de vraag of een weigering om een uitzonderingsprocedure met een andere Rijnoeverstaat in te leiden een appellabel besluit is, noch over (ii) CRvB-uitspraken over een weigering van de Svb om op basis van art. 16 Vo. (EG) 883/2004 een uitzonderingsprocedure met een andere Staat te starten ten behoeve van een Rijnvarende, nu dat geen besluit is over het al dan niet bestaan van Nederlandse verzekeringsplicht volgens de door de rechter te interpreteren aanwijsregels. Vast staat dat de op basis van art. 16 Vo. 883/2004 gesloten Rijnvarendenovereenkomst (RVO) Nederland aanwijst als exclusief bevoegd. De wetsgeschiedenis noch de rechtspraak van de Hoge Raad over de betekenis van internationale regelingen voor de verzekeringsplicht nopen tot cassatiemogelijkheden, nu (i) geen risico bestaat van tegenstrijdige uitspraken van de sociale-verzekeringsrechter en de belastingrechter en (ii) geen dispuut bestaat over de uitleg van de rechtsregels die de verzekeringsplicht ex de RVO bepalen. Belanghebbende wenst dat voor hem een uitzondering wordt gemaakt op de dwingende aanwijsregels van de RVO. De vraag of dat opportuun is, is volgens A-G Wattel een politieke of diplomatieke beleidsaangelegenheid en geen vraag over de uitleg of toepassing van een van de in de cassatiebepalingen genoemde artikelen over het bestaan van verzekeringsplicht ex de nationale wet of de RVO, over de uitleg waarvan in casu geen dispuut bestaat. Voor zover de belanghebbende behoort tot de groep Rijnvarenden waarvoor de Minister van SZW en de staatssecretaris van Financiën een unilaterale premie-ontdubbelingsregeling hebben getroffen, lijkt het cassatieberoep de A-G op dit punt ook om die reden niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Bij de conclusie is een bijlage gevoegd die ook gaat bij de zaak 20/01343 (over het regime ná 1 mei 2010) en waarin de gemeenschappelijke aspecten van de zaken worden behandeld: (i) het ‘besluit’-begrip; (ii) de uitzonderingsprocedure onder het oude regime van het Rijnvarendenverdrag en onder het nieuwe regime van Vo. (EG) 883/2004; (iii) de beperkte cassatienogelijkheden in sociale-verzekeringszsken en (iv) de rechtspraak van de Afdeling BRvS over verzoeken van belastingplichtigen om opening van een mutual agreement procedure onder belastingverdragen. Conclusie: cassatieberoep niet-ontvankelijk voor zover ziende op de afwijzingen van de Svb om met Luxemburg een uitzondering overeen te komen en voor het overige ongegrond, onder verwijzing naar de arresten van 10 juli 2020, HR BNB 2020/142, en/of art. 81 Wet RO.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1151
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1235
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1236
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1237
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1238
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1242
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1244
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:235
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:237
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:238
- Conclusie 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:239
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:244
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:446
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:511
- CRvB 12 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:654
- CRvB 23 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1449
- CRvB 22 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3820
- HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:1752
- Rb. Rotterdam 5 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2934