Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:235

Premieheffing Rijnvarende: (i) Inspecteur bevoegd om premies volksverzekeringen vast te stellen zonder voorafgaand Svb-besluit? (ii) Schending EU-doeltreffendheidsbeginsel door dubbele procedures? Feiten: De belanghebbende is Nederlander, woont in Nederland en was in januari 2013 in loondienst bij een Nederlandse werkgever en van februari t/m december 2013 bij een Cypriotisch uitzendbureau. Hij werkte in 2013 op een schip in eigendom van en geëxploiteerd door een in Nederland gevestigd bedrijf, waarvoor in 2010 een Rijnvaartverklaring is afgegeven. Na veel administratieve en procedurele perikelen heeft de CRvB bij een uiteindelijke A1-verklaring van 21 juni 2019 vastgesteld dat van februari 2013 t/m april 2014 de Belgische sociale-verzekeringswetgeving op de belanghebbende van toepassing was. Voor januari 2013, toen de belanghebbende nog bij de Nederlandse werkgever in loondienst was, is geen A1-verklaring afgegeven. In geschil is of belanghebbende in januari 2013 in Nederland verzekerd en premieplichtig was en of de fiscus premie mag heffen zonder A1-verklaring die Nederland aanwijst als bevoegd. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard. Het Hof Den Bosch heeft bij tussenuitspraak prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld, die deze op 5 oktober 2018 heeft beantwoord (HR BNB 2019/44). Bij einduitspraak heeft het Hof geoordeeld dat als, zoals in casu, de bestuursrechtelijke kolom tweemaal is doorlopen en daar in wezen de premieplicht voor het hele jaar 2013 is beoordeeld, de belastingrechter de premieplicht niet nog eens behoort te beoordelen, mede gezien het EU-rechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Uit het ontbreken van een stelselaanwijsbesluit van de Svb voor januari 2013 leidt het Hof af dat de Svb in geen geval Nederlandse premieplicht wilde aannemen voor die maand. Het Hof achtte de inspecteur daarom niet bevoegd om over die maand premies te heffen zonder vaststelling van premieplicht door de Svb in een besluit of A1-verklaring. In cassatie betoogt de Staatssecretaris dat uit HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:803, NTFR 2018/1277 volgt dat de inspecteur bij ontbreken van een A1-verklaring wel degelijk op grond van artt. 57 en 58 Wfsv en 11 AWR bevoegd is om zelfstandig de premieplicht te beoordelen. Nu de Svb voor januari 2013 geen toepasselijke sociale wetgeving heeft aangewezen, moeten de inspecteur en de belastingrechter volgens hem zelfstandig de premieplicht beoordelen, welke beoordeling op grond van HR BNB 2019/44 wordt herzien als de Svb later een andersluidende A1-verklaring zou afgeven. A-G Wattel meent dat de Hoge Raad de opvatting dat de inspecteur zonder voorafgaande detacheringsverklaring niet zelfstandig de premieplicht mag beoordelen en niet mag heffen al heeft verworpen in HR BNB 2009/312 en inderdaad ook in HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:803, NTFR 2018/1277. De rechtstreeks werkende en dwingende Vo. 883/2004 en Rijnvarendenovereenkomst (Rvov) wijzen voor januari 2013 Nederland als bevoegde staat aanwijzen en de artt. 57 en 58 Wfsv en 11 AWR verplichten de inspecteur zijns inziens om premie te heffen. Voor zover het Hof een schending van het EU-rechtelijke effectiviteitsbeginsel zag omdat rijnvarenden zich genoodzaakt kunnen zien te procederen zowel over het toepasselijke stelsel (bestuursrechter) als over de premieheffing (belastingrechter) en bij tegenstrijdige uitspraken mogelijk nog een keer over herziening van het fiscale resultaat (HR BNB 2019/44), terwijl in een puur binnenlands geval maar één procedure gevolgd hoeft te worden (belastingrechter), meent A-G Wattel dat het om objectief verschillende gevallen gaat. In grensoverschrijdende gevallen is een aanwijzingsprocedure nu eenmaal onvermijdelijk, gegeven dat het EU-recht aanwijzing van slechts één lidstaat eist, terwijl in een puur binnenlands geval zich uit de aard der zaken geen dergelijke aanwijskwestie kan voordoen. Dat twee procedures nodig kunnen zijn, is dus geen procedurele discriminatie. Evenmin is er sprake van dat de gewone bestuursrechtelijke of fiscale procedurele mogelijkheden voor rijnvarenden anders zouden zijn dan voor alle andere premieplichtigen, zodat de EU-rechtelijke gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginselen volgens A-G Wattel niet geschonden zijn. De Hoge Raad heeft in HR BNB 2019/44 voorzien in voorkoming van tegenstrijdige uitspraken door te bepalen dat de belastingrechter ofwel zijn uitspraak moet uitstellen totdat de stelselaanwijzing definitief is, ofwel – als hij niet heeft gewacht en een andersluidende CRvB-uitkomst volgt – zijn uitspraak moet herzien. Conclusie: cassatieberoep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken