Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:238

Feiten: De in Nederland wonende belanghebbende is Nederlander en was in de geschiljaren 2007 en 2009 in loondienst bij een Luxemburgs uitzendbureau. Hij werkte op binnenvaartschepen van Nederlandse eigenaren. Niet in geschil is dat hij niet premieplichtig was in Nederland van 27 oktober 2007 t/m 2 april 2008, toen hij op een schip werkte waarvoor een Rijnvaartverklaring gold die het Luxemburgse uitzendbureau als exploitant aanwees. Voor die periode heeft de inspecteur een vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen verleend. Evenmin in geschil is dat hij overigens rijnvarende was en onder het Rijnvarendenverdrag (RV) viel. Het geschil gaat over de perioden waarin geen Rijnvaartverklaring gold en waarvoor de inspecteur vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen heeft geweigerd. Met name is in geschil de betekenis van een door Luxemburg afgegeven onjuist certificat d’exploitation dat ook weer is ingetrokken en een onjuiste E101-verklaring, gebaseerd op de voor rijnvarenden niet-toepasselijke Vo. 1408/71, die Luxemburg aanwees als verzekeringsbevoegde Staat. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep afgewezen. Hof: omdat de belanghebbende rijnvarende was, was niet Vo. 1408/71 maar het RV op hem van toepassing. Bij ontbreken van een stelselaanwijsbeschikking van de Svb is de Inspecteur zelfstandig bevoegd om de premieplicht te beoordelen. De belanghebbende is naar intern recht in Nederland premieplichtig en art. 11 RV verklaart op hem de wetgeving van de scheepsexploitant van toepassing. Voor de perioden zonder Rijnvaartverklaring moet feitelijk worden beoordeeld wie de scheepsexploitant is en waar zich diens zetel bevindt (art. 11 RV). Het Hof heeft niet aannemelijk geacht dat het Luxemburgse uitzendbureau en niet de scheepseigenaar de scheepsexploitant was. Hij achtte de ongeldige, op de niet-toepasselijke Vo. 1408/71 gebaseerde Luxemburgse E101-verklaring niet bindend voor andere lidstaten, gezien het HvJ EU-arrest X en Van Dijk. Nederland heeft geen vertrouwen gewekt dat Nederland niet bevoegd zou zijn. Evenmin zag het Hof strijd met het beginsel van loyale samenwerking ex art. 4(3) VEU of gebrek aan effectieve rechtsbescherming. Het Hof heeft wel vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend. In cassatie: de belanghebbende stelt zes middelen voor: het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat (i) de Inspecteur bevoegd is de verzekerings- en premieplicht zelfstandig te beoordelen; (ii) de belastingrechter materieel kan toetsen of de belanghebbende verzekerings- en premieplichtig was in Nederland; (iii) het uitzendbureau in Luxemburg geen scheepsexploitant is en belanghebbende daarom verzekerd en premieplichtig is in Nederland; (iv) de Luxemburgse E101-verklaring geen betekenis heeft; (v) effectieve rechtsbescherming niet ontbreekt, en (iv) de redelijke termijn niet is overschreden. A-G Wattel meent ad middelen (i) en (ii) dat uit HR BNB 2009/312 en HR ECLI:NL:HR:2018:803 volgt dat de inspecteur bij ontbreken van een stelselaanwijsbesluit zelfstandig de verzekerings- en premieplicht moet beoordelen. De nadien gewezen uitspraken van de CRvB van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817 naar aanleiding van HR BNB 2019/44 en van het Hof Den Bosch van 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3141 (cassatieberoep aanhangig onder nr. 19/04564) veranderen daaraan zijns inziens niets. Middel (iii) ziet er volgens de A-G aan voorbij dat een Rijnvaartverklaring geen constitutief vereiste is voor premieheffing en dat op de belanghebbende de bewijslast rust dat (i) hij ondanks ingezetenschap niet in Nederland is verzekerd en (ii) de exploitant van zijn schepen, zoals hij stelt, in Luxemburg zou zijn gevestigd. Het bestrijdt overigens een bewijsoordeel dat niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk is. Anders dan middel (iv) stelt, a. is art. 13 RV (bevoegdheid van twee of meer lidstaten om bij uitzonderingsprocedure een andere staat dan de bevoegde aan te wijzen) niet van toepassing; niet relevant is dan of de inspecteur bevoegd is om die procedure in te leiden (dat is hij overigens niet). b. is art. 86 RV (dus) niet van toepassing, nu geen sprake is van conflict: de Luxemburgse autoriteiten verklaren zelf dat de scheepsexploitant niet in Luxemburg zit; c. staat met de arresten HvJ X en Van Dijk en HR BNB 2016/101 vast dat de Luxemburgse E101-verklaring ongeldig en onjuist is en irrelevant voor de stelselaanwijzing; d. kan de overgangsbepaling van art. 6(2) Rvov de onjuiste en ongeldige E101-verklaring niet alsnog geldig maken, nu die verklaring niet is afgegeven ‘overeenkomstig’ het RV. e. ging de zaak CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817 niet over het RV maar over de in casu niet-toepasselijke Vo. (EG) 883/2004 omdat het uitzendbureau in die zaak op Cyprus zat, zodat noch het RV, noch diens opvolger, de Rvov, van toepassing waren maar de (procedure)regels van Vo. 883/2004; ook de zaak Hof ’s-Hertogenbosch ECLI:NL:GHSHE:2019:3139 t/m 3141 (in cassatie aanhangig onder nr. 19/04564) ging niet over het RV (en acht de A-G bovendien onjuist); f. doet zich geen procedurele discriminatie van rijnvarenden voor doordat zij, anders dan puur binnenlandse gevallen, genoodzaakt kunnen worden tot zowel een stelsel-aanwijzingsprocedure als een premieheffingsprocedure. In grensoverschrijdende gevallen is een aanwijzingsprocedure onvermijdelijk en in interne gevallen ondenkbaar. Dat is een objectief verschil. Tegenstrijdige uitspraken worden voorkomen door HR BNB 2019/44; g. valt niet in te zien dat HR BNB 2013/257 onjuist zou zijn of dat Nederland de vereiste loyale samenwerking (art. 4(3) VEU) of de tussenstaatse goede trouw heeft geschonden. Middel (v) is een gedeeltelijke herhaling van middel (iv) (sub f) en moet het lot daarvan delen. Ad middel (vi) meent de A-G dat het Hof het overzichtsarrest HR BNB 2016/140 over bepaling en gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn niet verkeerd heeft toegepast. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken