Conclusie A-G Ettema 31 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:101

Hoe moet “enig andere persoon die bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen betrokken is” als bedoeld in artikel 51(1)b Wet op de accijns (WA) worden uitgelegd. Voldoende betrokkenheid bij enkel administratieve en financiële handelingen? Wetenschap vereist van omstandigheid dat geen accijns is geheven? Op naam van ondernemingen van belanghebbende zijn (verkoop)facturen opgesteld voor de levering van minerale oliën waarmee, zo volgt uit strafrechtelijk onderzoek, fraude is gepleegd. Die fraude bestond uit het verzamelen van minerale oliën bij schippers, die de oliën accijnsvrij onder zich hadden, om deze vervolgens te verkopen zonder dat accijns werd betaald. Belanghebbende heeft facturen ondertekend en drie verkoopfacturen opgesteld. In verband met deze feiten is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrifte. De Inspecteur heeft accijns en voorraadheffing van hem nageheven in verband met betrokkenheid bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen als bedoeld in artikel 51(1)b WA. Het Hof heeft deze naheffing in stand gelaten en geoordeeld dat de betrokkenheid ook betrekking kan hebben op de administratieve en financiële afwikkeling van het voorhanden hebben (en niet slechts op het feitelijke logistieke proces). In cassatie komt belanghebbende op tegen dit oordeel. Hij stelt dat hij niet wist van wie, waar en wanneer de goederen zijn verworven en dat de verkoop van de accijnsgoederen buiten hem om ging. A-G Ettema onderzoekt of de handelingen van belanghebbende als voldoende ‘betrokken’ bij het voorhanden hebben als bedoeld in artikel 8(1)b richtlijn 2008/118/EG kunnen worden beschouwd. Ook behandelt zij de vraag of een persoon die bij het voorhanden hebben betrokken is als accijnsschuldenaar kan worden aangewezen, als hij er geen weet van had dat over de goederen geen accijns is geheven. Zij komt tot de slotsom dat in de Uniewetgeving en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie weliswaar aanwijzingen kunnen worden gevonden hoe deze vragen moeten worden beantwoord, maar dat van een acte clair of acte éclairé geen sprake is.   Zij geeft de Hoge Raad in overweging het geding te schorsen en het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vragen te stellen: 1) Moet artikel 8, lid 1, sub b, richtlijn 2008/118/EG aldus worden uitgelegd dat een persoon die enkel administratieve en financiële handelingen heeft verleend (het ter beschikking stellen van ondernemingen, het opmaken en ondertekenen van facturen en het innen van gelden) in opdracht van een persoon die de accijnsgoederen voorhanden had, als “enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is” wordt beschouwd? 2) Moet artikel 8, lid 1, sub b, richtlijn 2008/118/EG aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling genoemde personen hoofdelijk tot voldoening van de accijns zijn gehouden reeds als vaststaat dat de accijns voor de betrokken goederen niet is geheven, of vereist het evenredigheidsbeginsel dat de persoon die als medeschuldenaar wordt aangesproken wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de betrokken goederen (door de ander) voorhanden worden gehouden buiten een accijnsschorsingsregeling zonder dat de verschuldigde accijns is voldaan als bedoeld in artikel 7, lid 2, sub b, van die richtlijn?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken