Rb. Den Haag 31 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:12055

Bij een accijnscontrole zijn monsters genomen van de gasolie in de bunkertanks van een motortankschip. Na analyse van de monsters werd gerapporteerd dat de gasolie minder dan de wettelijk voorgeschreven hoeveelheid herkenningsmiddel bevatte. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder eiseres een naheffingsaanslag accijns opgelegd. In geschil is of dit terecht is. De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres moet worden aangemerkt als enig ander persoon die bij het voorhanden hebben van de desbetreffende gasolie betrokken was. Eiseres is daarom terecht aangemerkt als de belastingplichtige. Verder oordeelt de rechtbank dat het voorhanden hebben van de desbetreffende gasolie moet worden aangemerkt als uitslag tot verbruik en verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat deze uitslag niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 66 van de Wet op de accijns voor de vrijstelling van accijns en dit artikel en de daarop gebaseerde regeling niet in strijd is met de Energierichtlijn. Met de door eiseres overgelegde bescheiden heeft zij de herkomst van de gasolie niet aangetoond en eiseres maakt ook niet aannemelijk dat de hoeveelheid gasolie waarover is nageheven onjuist is vastgesteld. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen