Rb. Gelderland 14 februari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:699
Naheffing accijns onveraccijnsde accijnsgoederen. Accijnsrichtlijn 2008. Op verweerder rust alleen de bewijslast om aannemelijk te maken dat eiseres onveraccijnsde accijnsgoederen voorhanden heeft gehad of daarbij betrokken is geweest. Verweerder hoeft niet aannemelijk te maken dat eiseres wist of redelijkerwijze kon weten dat het voorhanden hebben betrekking had op accijnsgoederen. Omdat het hier evenwel een bepaling betreft die is bedoeld om de belastingschuldige aan te wijzen, brengt naar het oordeel van de rechtbank een redelijke uitleg van de Accijnsrichtlijn 2008 en de WA mee dat eiseres in de gelegenheid moet worden gesteld te bewijzen dat haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Een andere uitleg zou met zich brengen dat in feite sprake is van risicoaansprakelijkheid waardoor de keuze van degene aan wie de naheffingsaanslag accijns wordt opgelegd in de keten van betrokkenen volledig arbitrair wordt. Naar het oordeel van de rechtbank zou deze uitleg van de Accijnsrichtlijn 2008 en de WA te ver gaan. Gelet op de omstandigheden van het geval, had eiseres moeten twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de vrachtbrief en nader onderzoek moeten doen. Dit heeft zij nagelaten, zodat niet kan worden geoordeeld dat eiseres geen enkel verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het voorhanden hebben van de accijnsgoederen. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl