HR 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:658

Niet voldoen aan de op vader rustende plicht om ervoor te zorgen dat zijn 5-jarige dochter op school staat ingeschreven, art. 2.1 Leerplichtwet 1969. Komt vader beroep toe op vrijstellingsgrond van art. 5.b Lpw? Verdachte heeft o.g.v. zijn geloofsovertuiging (Tasawwuf) beroep gedaan op vrijstelling van verplichting ervoor te zorgen dat zijn dochter als leerling van school staat ingeschreven a.b.i. art. 5.b Lpw. Dit beroep is gedaan i.v.m. “overwegende bedenkingen” tegen richting van onderwijs op alle scholen die binnen redelijke afstand van woning van verdachte zijn gelegen. Hof heeft bezwaren van verdachte voldoende concreet en zwaarwegend geoordeeld v.zv. die zien op onderwijs op (soennitisch) islamitische, joodse, antroposofische en christelijke basisscholen. Beroep op vrijstelling is echter afgewezen, omdat bezwaren van verdachte tegen onderwijs op openbare scholen niet zijn aan te merken als voldoende concreet en zwaarwegend. HR zet uiteen wat toetsingskader is voor beoordeling van beroep op vrijstelling van inschrijfplicht. Eerdere rechtspraak van HR (HR:2015:1338, HR:2019:1925, HR:2017:3111 en HR:2011:BM6898) wordt daartoe verduidelijkt en op onderdelen nader ingevuld en aangescherpt. Reden daarvoor is allereerst dat in praktijk vragen bestaan over manier waarop dat toetsingskader moet worden toegepast. Daarnaast beoogt HR met nadere invulling en aanscherping van toetsingskader duidelijkheid te verschaffen over grenzen die recht op onderwijs (zoals dat in loop van de tijd vorm heeft gekregen in rechtspraak van EHRM en in internationaalrechtelijke en Unierechtelijke bepalingen) stelt aan mogelijkheid om beroep op vrijstelling van inschrijfplicht te honoreren wegens overwegende bedenkingen. Deze begrenzing houdt verband met toegenomen betekenis van recht op onderwijs voor volwaardige deelname aan samenleving sinds introductie van vrijstellingsgrond in Lpw 1900 en handhaving daarvan in nu geldende Lpw. Van overheid mag daarbij actief optreden worden gevergd om Lpw te handhaven, zo nodig langs strafrechtelijke weg. Oordeel van HR komt erop neer dat m.b.t. openbare scholen alleen nog met succes beroep kan worden gedaan op vrijstellingsgrond als komt vast te staan dat onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand van woning, v.zv. dat onderwijs godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, niet plaatsvindt op objectieve, kritische en pluralistische manier. Dit zal in de praktijk betekenen dat beroep op deze vrijstellingsgrond, waar het gaat om openbaar onderwijs, nog slechts onder uitzonderlijke omstandigheden zal kunnen slagen. Hof heeft geoordeeld dat door verdachte aangevoerde “overwegende bedenkingen” verband houden met ernstige gemoedsbezwaren die berusten op voldoende welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing (Tasawwuf). Hof heeft deze bezwaren, v.zv. zij richting betreffen van onderwijs op openbare scholen binnen redelijke afstand van woning, onvoldoende concreet en onvoldoende zwaarwegend geoordeeld. Daaraan heeft hof ten grondslag gelegd uitgangspunt dat onderwijs op openbare scholen zich kenmerkt door levensbeschouwelijke neutraliteit, zoals dat voortvloeit uit art. 23.3 Grondwet en uit art. 8.3.c Wet op primair onderwijs. Vervolgens heeft hof overwogen dat niet is gebleken dat wat verdachte en medeverdachte vanuit hun geloofsovertuiging aan hun dochter willen meegeven, wordt tegengesproken of afgekeurd op openbare scholen. Bezwaren dat (geloofs)ontwikkeling van hun dochter wordt geschaad als zij op openbare school met andere geloofsovertuigingen bekend zou raken, of dat zij daarvan in de war kan raken of kan gaan twijfelen en dat zij zonder juist onderwijs “het paradijs niet binnen zal gaan”, sluiten volgens hof per definitie iedere vorm van onderwijs uit, behalve onderwijs in eigen specifieke leer van Tasawwuf en zijn, zonder verdere onderbouwing, naar ’s hofs oordeel geen concrete en zwaarwegende bezwaren tegen onderwijs dat school kan bieden. Ook anderszins zijn volgens hof dergelijke concrete en zwaarwegende bezwaren niet door verdachte en medeverdachte aangevoerd of aannemelijk geworden. ’s Hofs oordeel dat verdachte geen beroep toekomt op vrijstelling a.b.i. art. 5.b Lpw getuigt in het licht van wat hiervoor is uiteengezet, niet van onjuiste rechtsopvatting. Oordeel is ook toereikend gemotiveerd, nu daarin tot uitdrukking komt dat niet is komen vast te staan dat onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand van woning, v.zv. dat onderwijs godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, niet voldoet aan maatstaf van kennis- en informatieoverdracht op objectieve, kritische en pluralistische manier. Volgt verwerping. Samenhang met 24/03975.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken