HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3111
Vrijstelling Leerplichtwet 1969, richtingbezwaren, liberaal joodse traditie. HR herhaalt NJ 1980/190, ECLI:NL:HR:2001:AB2946, ECLI:NL:HR:2000:ZD1985 en ECLI:NL:HR:2012:BV9201 m.b.t. onderzoeksplicht rechter of bezwaar richting onderwijs betreft, bedoeling wetgever dat rechter gewicht bezwaar niet beoordeelt, het onder overwegend bezwaar tegen richting onderwijs niet begrepen zijn van bezwaar tegen soort onderwijs, leerplicht als zodanig of wettelijke inrichting onderwijs en het ook kunnen bestaan van bedenkingen tegen richting onderwijs in bedenkingen tegen ontbreken van enige levensbeschouwelijke of godsdienstige richting. 1. Door of namens verdachte is aangevoerd dat haar zoon A wordt opgevoed in een liberaal joodse traditie, de joodse identiteit de hele dag aanwezig is, de joodse identiteit op openbare scholen niet of niet voldoende wordt ontwikkeld en soms zelfs wordt belemmerd en de levensbeschouwelijke neutraliteit van openbare scholen strijdig is met de joodse opvoeding van het kind. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de bedenkingen tegen de richting van het onderwijs a.b.i. art. 5.ahf.b Lpw 1969 ook gericht kunnen zijn tegen de richting van het openbaar onderwijs, is ’s Hofs oordeel dat verdachtes bedenkingen tegen de openbare scholen niet zijn aan te merken als (overwegende) bezwaren tegen de richting van het onderwijs, niet z.m. begrijpelijk. 2. T.a.v. de joodse basisschool Rosj Pina heeft het Hof overwogen dat verdachte heeft aangevoerd dat A zeer waarschijnlijk niet tot die school zal worden toegelaten en mede op die grond geoordeeld dat verdachtes bezwaren tegen die school van praktische en pedagogische aard zijn en derhalve niet kunnen leiden tot een vrijstelling. Een vrijstelling a.b.i. art. 5.ahf.b Lpw 1969 kan slechts bestaan t.a.v. scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden. Uit ’s Hofs overwegingen blijkt niet dat het heeft vastgesteld of A op Rosj Pina kan worden geplaatst. Gelet op art. 5.ahf.b Lpw 1969 en in aanmerking genomen hetgeen is aangevoerd, te weten dat verdachte een brief van het rabbinaat heeft ontvangen waaruit blijkt dat zij en haar kinderen niet als joods worden erkend en dat daaruit op voorhand voortvloeit dat A niet op een van de twee joodse scholen - waaronder Rosj Pina - wordt toegelaten, is ’s Hofs oordeel niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl