HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1925

OM-cassatie. Vrijspraak van overtreding van art. 2.1 Leerplichtwet 1969 (Lpw) door geslaagd beroep op vrijstelling a.b.i. art. 5.b Lpw. Hof heeft verdachte vrijgesteld van inschrijvingsverplichting t.a.v. zijn twee kinderen omdat dat hij o.g.v. zijn objectivistische levensbeschouwing tegen richting van het onderwijs overwegende bedenkingen heeft. HR wijdt algemene beschouwingen aan vrijstellingsgrond a.b.i. art. 5.b Lpw. HR stelt voorop, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak, dat indien een beroep is gedaan op vrijstellingsgrond a.b.i. art. 5.b Lpw, de rechter dient te onderzoeken of het bezwaar de richting van het onderwijs betreft. Onder overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs is niet begrepen bezwaar tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs. Onder het begrip richting wordt verstaan: een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Van overwegende bedenkingen is derhalve eerst sprake in geval van ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Van zodanige ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing is o.m. geen sprake indien het betreffende samenstel van opvattingen zich onvoldoende nauwkeurig laat bepalen of het daarin ontbreekt aan een voldoende mate van ernst of samenhang. Van overwegende bedenkingen is voorts geen sprake indien weliswaar vanuit een godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing bezwaren worden aangevoerd, maar die bezwaren in onvoldoende mate verband houden met onderwijs aan kinderen zoals een school dat kan bieden. Voor het aannemen van overwegende bedenkingen moet sprake zijn van voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren die verband houden met onderwijs zoals hiervoor bedoeld. Van overwegende bedenkingen kan derhalve alleen sprake zijn indien de overwegende bedenkingen die worden aangevoerd, i) verband houden met ernstige gemoedsbezwaren van de in art. 2.1 Lpw bedoelde persoon die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, ii) betrekking hebben op de richting en derhalve de fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, van – kort gezegd – het in art. 5.b Lpw bedoelde onderwijs en iii) voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren betreffen die verband houden met onderwijs zoals een school dat kan bieden. Indien de rechter oordeelt dat niet aan één van de hiervoor genoemde vereisten wordt voldaan, kan hij reeds op die grond het beroep op de vrijstellingsgrond afwijzen, zonder dat hij hoeft te onderzoeken of voldaan is aan de overige vereisten. ’s Hofs oordeel dat de bezwaren van verdachte zijn aan te merken als bezwaren tegen de richting van het onderwijs is niet toereikend gemotiveerd. Als relevante f&o heeft Hof in de kern slechts in aanmerking genomen dat in de objectivistische benadering in de interactie tussen leraar en leerling niet wordt gehandeld vanuit een gezagsrelatie maar vanuit de keuzevrijheid van het kind, dat de ouders door te kiezen voor ‘radical unschooling’ afstand hebben genomen van op scholen gebruikelijke werkwijzen en materialen en dat adagium ‘samen spelen is samen delen’ afbreuk doet aan een opvoeding overeenkomstig de objectivistische benadering. Nog daargelaten of Hof o.g.v één en ander heeft kunnen oordelen dat deze objectivistische benadering een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing betreft, zijn de door Hof in aanmerking genomen f&o in elk geval ontoereikend om te kunnen aannemen dat sprake is van voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren die verband houden met onderwijs zoals een school dat kan bieden. V.z. middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken