HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6898
Artt. 5 en 8 Leerplichtwet (Lpw). Art. 9 EVRM. Art. 2 Eerste Protocol EVRM. Het derde middel klaagt er onder meer over dat het Hof in zijn oordeel een afwijzende beslissing van het college van burgemeester en wethouders heeft betrokken. De HR geeft een samenvatting van relevante jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hieruit volgt dat het Hof een schrijven van het college van burgemeester en wethouders ten onrechte heeft aangemerkt als een beslissing inzake onderscheidenlijk een afwijzing van verdachtes beroep op vrijstelling van de verplichting om te zorgen dat een jongere als leerling van een school is ingeschreven. Gelet evenwel op hetgeen het Hof voorts heeft overwogen, moet worden aangenomen dat in zoverre sprake is van een kennelijke vergissing die geen zelfstandige betekenis heeft in de door het Hof gebezigde redenering en daarom geen afbreuk doet aan de begrijpelijkheid van 's Hofs motivering. In zoverre faalt het middel. Ingevolge art. 8.1 Lpw kan een beroep op vrijstelling op grond van art. 5.b Lpw slechts worden gedaan indien de kennisgeving de verklaring bevat dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan, doch volgens het tweede lid is deze verklaring niet geldig indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school van de richting waartegen bedenkingen worden geuit. N.a.v. het vierde en vijfde middel overweegt de HR: Gelet op de in Nederland bestaande vrijheid van ouders hun kinderen de school van hun keuze dan wel een zelf opgerichte school waar volgens hun godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen wordt lesgegeven, te doen bezoeken, en in aanmerking genomen voorts de vrijheid van ouders hun kinderen na schooltijd en in het weekend onderwijs te laten volgen dat in overeenstemming is met hun opvattingen, maakt in een geval als het onderhavige art. 8.2 Lpw geen inbreuk op de door art. 9.1 EVRM en art. 2 Eerste Protocol EVRM gewaarborgde rechten. De enkele omstandigheid dat - naar de verdachte heeft aangevoerd - de school waarvan de richting aansluit bij haar levensbeschouwing, niet binnen een redelijke afstand van haar woning is gelegen, noopt niet tot een ander oordeel. De HR merkt voorts nog op dat, anders dan de middelen veronderstellen, de omstandigheid dat ouders op grond van art. 9 EVRM de vrijheid hebben om hun - al dan niet gewijzigde - godsdienst of levensbeschouwing in het onderwijs aan hun kinderen tot uitdrukking te (laten) brengen en dat de overheid volgens art. 2 Eerste Protocol EVRM het recht van ouders om zich van dat onderwijs dat overeenstemt met hun eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging te verzekeren, dient te eerbiedigen, niet tot gevolg heeft dat ingeval zich binnen redelijke afstand van de woning niet een school bevindt waar onderwijs wordt gegeven dat overeenstemt met hun eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, zij zijn vrijgesteld van de in art. 2 Lpw bedoelde inschrijfplicht en dat zij gerechtigd zijn hun kind uitsluitend huisonderwijs te (laten) geven, noch dat de overheid gehouden is om een binnen redelijke afstand van de woning gelegen school van de door die ouders gewenste godsdienstige of levensbeschouwelijke richting op te richten.
De uitspraak op rechtspraak.nl