HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3258
Beklag, beslag. 1. Bevoegdheid tot verschoning ex art. 218 Sv. 2. Corpora et instrumenta delicti. Ad 1. Ingevolge art. 218 Sv komt een advocaat alleen een verschoningsrecht toe i.h.k.v. zijn juridische dienstverlening aan een rechtszoekende, die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat. In de overwegingen van de Rb ligt besloten dat de stukken van bijlage III niet duiden op zo een dienstverlening en de klagers zich m.b.t. die stukken daarom niet op een verschoningsrecht kunnen beroepen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. De Rb heeft als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat de stukken van bijlage II voorwerp van de strafbare feiten (omkoping en heling) waarvan de klagers worden verdacht uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Van de stukken heeft de Rb vastgesteld dat daaruit kan blijken van door de klagers aan X en/of haar als dekmantel gebruikte Stichting verleende diensten, verstrekte giften of gedane beloften met het oog op de schending van haar ambtsgeheim.
De uitspraak op rechtspraak.nl