HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1018

Beschikking verschoningsrecht advocatenkantoor. Geheimhouderstukken. Art. 98 en art. 218 Sv. Vervolg op HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2636 en HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1324. 1. Middel over oordeel Rb dat brieven, die niet zien op enige correspondentie met klaagster, niet onder het verschoningsrecht van de klaagster vallen. 2. Maken inbeslaggenomen creditnota’s voorwerp van het strafbare feit uit? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen van HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3258 m.b.t. verschoningsrecht van advocaat. Het oordeel van de Rb dat t.a.v. de inbeslaggenomen correspondentie redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan dat het standpunt van klaagster dat die correspondentie object is van haar verschoningsrecht onjuist is, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2.Onjuist noch onbegrijpelijk is oordeel Rb dat bepaalde creditnota’s “voorwerp zijn van een strafbaar feit”, gelet op hetgeen de Rb heeft vastgesteld omtrent aard en inhoud van de nota’s en de verdenking jegens X. Samenhang met 16-05397 Bv.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken