Rb. Amsterdam 9 oktober 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4911
Beschikking art. 98 jo. 552a Sv inzake Marengo. De kroongetuige heeft (in detentie) een telefoon tot zijn beschikking gehad en deze op enig moment aan zijn toenmalig advocaat gegeven. Toen deze kwam te overlijden is deze via de deken naar de opvolgend (anonieme) advocaat gegaan. Nadat hij door de kroongetuige was ontslagen, verzocht deze hem de telefoon in detentie te bezorgen. De anonieme advocaat wenste niet mee te werken aan dit verzoek en droeg de telefoon weer over aan de deken. Daar werd de telefoon in beslag genomen. Nadat de anonieme advocaat en de deken om een standpunt was gevraagd, heeft de rechter-commissaris beslist dat de inbeslagneming van de telefoon en de daarop aanwezige informatie was toegestaan, omdat zowel aan de anonieme advocaat, als aan de deken geen bevoegdheid tot verschoning toe zou komen ten aanzien daarvan. Hiertegen hebben de huidige raadslieden van de kroongetuige, alsmede de deken een klaagschrift ingediend. De rechtbank kan niet vaststellen dat een van de (al dan niet voormalig) advocaten van de kroongetuige of de deken ooit toegang heeft gehad tot de telefoon. Hierdoor hebben deze advocaten en de deken ook geen toegang gehad tot de op de telefoon aanwezige informatie. Evenmin is gebleken dat de op de telefoon aanwezige informatie daadwerkelijk bestemd was om aan een advocaat te worden medegedeeld. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de informatie op de telefoon niet aan een advocaat is toevertrouwd in het kader van diens beroepsuitoefening en de op de telefoon aanwezige informatie valt dan ook niet onder het verschoningsrecht. Het beklag van klagers is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl