CBb 1 februari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:59

Fosfaatrecht. Het College komt tot het oordeel dat voor zover verweerder in het vervangingsbesluit het fosfaatrecht van appellant met terugwerkende kracht tot 1 januari 2018 heeft verlaagd, het vervangingsbesluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De beroepsgrond van appellant, inhoudende dat ten onrechte een korting op het fosfaatrecht is toegepast omdat appellant wel grondgebonden zou zijn, slaagt niet. Over 8,51 ha grond is niet vast komen te staan dat appellant daarover de feitelijke beschikkingsmacht had. Over de 4,94 ha grond met baggerdepots is het College van oordeel dat deze grond in 2015 niet geschikt was als landbouwgrond. Verweerder heeft de grond terecht niet meegenomen in de bepaling van de fosfaatruimte van appellant. Verder heeft verweerder een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling. Appellant heeft de door hem aangedragen alternatieve peildatum en alternatieve melkproductie onvoldoende onderbouwd. Tot slot is het College van oordeel dat op appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Het beroep gericht tegen het vervangingsbesluit is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken