CBb 13 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:341

Fosfaatrechten. Appellante draagt door de korting op haar fosfaatrecht vanwege het niet grondgebonden zijn in dit geval een individuele en buitensporige last. Appellante heeft grond verpacht en is, als gevolg van de keuze van de wetgever om bij het vaststellen van de fosfaatruimte aan te sluiten bij peildatum 15 mei 2015, uitsluitend door deze verpachting gekort. Appellante heeft de grond, behalve tijdens de verpachting, steeds zelf in gebruik gehad. De verpachting was eenmalig en tijdelijk. Appellante wordt, ook ten opzichte van vergelijkbare gevallen waarin vanwege het niet voldoen aan de grondgebondeneis een korting is toegepast, fors geraakt. De voordelen bij de pachtovereenkomst staan niet in verhouding tot het nadeel. Daarbij is van belang dat appellante bij het aangaan van de pachtovereenkomst weliswaar kon verwachten dat vanwege de afschaffing van het melkquotum maatregelen zouden volgen, maar niet kon voorzien dat de verpachting zou leiden tot een grote verliespost. Hierbij komt nog dat appellante in 2015 mest van haar bedrijf op de verpachte grond heeft afgezet en zij daarmee feitelijk in lijn met de grondgebondenheid handelde, terwijl de pachter als akkerbouwer geen fosfaatrechten voor die grond heeft verkregen. Gelet op al deze specifieke omstandigheden is het College van oordeel dat sprake is van een individuele en buitensporige last en de vaststelling van het fosfaatrecht zonder enige vorm van compensatie in strijd is met artikel 1 van het EP.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken