CBb 8 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:472
Fosfaatrechten. Grondgebondenheid. Artikel 1 EP. Appellante en de eenmanszaak zijn anders dan appellante aanvoert, twee van elkaar te onderscheiden en zelfstandige bedrijven met elk hun eigen bedrijfsvoering en elk hun eigen percelen landbouwgrond. Dat vennoot 2 van appellante tevens de eenmanszaak heeft, dat de eenmanszaak ten dienste staat van appellante en dat de meeste mest van appellante op het bedrijf van de eenmanszaak wordt afgezet, doet daaraan niet af. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de landbouwgrond van de eenmanszaak ten tijde hier van belang tot haar bedrijf behoorde. Dat de keuze van appellante en de eenmanszaak om twee gescheiden bedrijven te voeren voor appellante in het kader van het fosfaatrechtenstelsel negatief uitpakt omdat zij als niet-grondgebonden bedrijf wordt aangemerkt en bijgevolg op haar fosfaatrecht wordt gekort, bekent niet dat zij reeds om die reden onevenredig door het fosfaatrechtenstelsel wordt getroffen.
De uitspraak op rechtspraak.nl