CBb 6 oktober 2020, ECLI:NL:CBB:2020:680

Artikel 23, derde lid, van de Msw; artikel 33Ab van de Msw; artikel 72b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; fosfaatruimte; Artikel 1 van het EP. Voor appellant komt de last als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel neer op zijn korting van 137 kg fosfaat, omdat het bedrijf van appellant als gevolg van de verpachte grond niet (meer) grondgebonden is. Dat de keuze van appellant om grond te verpachten in het kader van het fosfaatrechtenstelsel negatief uitpakt omdat hij als niet-grondgebonden bedrijf wordt aangemerkt en daardoor op zijn fosfaatrecht wordt gekort, betekent niet dat hij reeds om die reden onevenredig door het fosfaatrechtenstelsel wordt getroffen Slechts in uitzonderingsgevallen kan verpachting (dan wel verhuur) van percelen landbouwgrond die leidt tot een korting op het fosfaatrecht, omdat de betrokken melkveehouder daardoor niet meer grondgebonden is, een individuele en buitensporige last opleveren. Het moet dan gaan om een eenmalige en tijdelijke aangelegenheid waarvan de nadelige gevolgen voor de individuele melkveehouder ten tijde van het aangaan van de pachtovereenkomst niet waren te voorzien (zie de uitspraken van 13 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:341 en 3 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:389). In het geval van appellant gaat het niet om een eenmalige en tijdelijke aangelegenheid, maar een verpachting voor de duur van 21 maanden. Omdat het niet gaat om een eenmalige, incidentele verpachting, maar de verpachting onderdeel is van de bedrijfsvoering, komen de risico’s van deze beslissing om te verpachten voor zijn rekening. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat hij wel als grondgebonden had moeten worden aangemerkt bij de vaststelling van zijn fosfaatrecht of waarom de korting van 137 kg voor hem een individuele en buitensporige last vormt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken