CBb 8 september 2020, ECLI:NL:CBB:2020:616
artikel 72b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en artikel 1 van het EP. Het College is van oordeel dat appellante niet heeft aangetoond dat zij de feitelijke beschikkingsmacht had over de gronden van [naam 6] en [naam 5]. Zij was eigenaar noch huurder van deze percelen en er bestond ook anderszins geen feitelijke beschikkingsmacht. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de teelt- en bemestingsplannen op elkaar kon afstemmen. Op de zitting heeft zij gesteld dat zij daarover elk jaar mondelinge afspraken maakt met de andere leden van [naam 4], maar zij heeft geen stukken overgelegd die dat onderbouwen. De conclusie is dat de gronden van [naam 6] en [naam 5] niet op 15 mei 2015 in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf van appellante in gebruik waren. Verweerder heeft deze landbouwgrond dus terecht niet meegenomen bij het bepalen van de fosfaatruimte van appellante. Verweerder heeft appellante terecht als niet-grondgebonden aangemerkt en terecht de generieke korting van 8,3% toegepast. De beroepsgrond faalt. Appellante heeft haar stelling dat op haar een individuele bijzondere last rust niet onderbouwd. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl