CBb 3 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:389
Appellante draagt door de korting op haar fosfaatrecht vanwege het niet grondgebonden zijn in dit geval een individuele en buitensporige last. Appellante heeft grond verhuurd en is, als gevolg van de keuze van de wetgever om bij het vaststellen van de fosfaatruimte aan te sluiten bij peildatum 15 mei 2015, uitsluitend door deze verhuur gekort. Appellante heeft de grond, behalve tijdens de verhuur, steeds zelf in gebruik gehad. De verhuur was eenmalig en tijdelijk. Appellante kon bij het aangaan van de verhuurovereenkomst weliswaar verwachten dat vanwege de afschaffing van het melkquotum maatregelen zouden volgen, maar kon niet voorzien dat de verhuur zou leiden tot een grote verliespost. Hierbij komt nog dat appellante in 2015 mest van haar bedrijf op de verhuurde grond heeft afgezet en zij daarmee feitelijk in lijn met de grondgebondenheid handelde. Gelet op al deze specifieke omstandigheden is het College van oordeel dat sprake is van een individuele en buitensporige last en de vaststelling van het fosfaatrecht zonder enige vorm van compensatie in strijd is met artikel 1 van het EP. Wetsbepaling: artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)
De uitspraak op rechtspraak.nl