CBb 8 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:596

Het College verklaart het beroep van appellant gegrond. Dat komt omdat voldoende aannemelijk is geworden dat hij meer separatiemelk heeft geproduceerd dan waar verweerder van uitgaat. Ook moest verweerder het perceel van 9,99 hectare meenemen bij het berekenen van de fosfaatruimte van appellant. Het is namelijk voor het College voldoende aannemelijk dat appellant de feitelijke beschikkingsmacht had over dit perceel. Appellant krijgt echter geen gelijk bij zijn andere beroepsgronden. Zo heeft verweerder de oppervlakte van de overige percelen juist vastgesteld, hoefde verweerder het fosfaatrecht niet vast te stellen aan de hand van de BEX en wordt het fosfaatrecht van appellant niet verhoogd omdat hij een beëindigd bedrijf heeft overgenomen. Ook is geen sprake van een individuele en buitensporige last. Vanwege de extra geproduceerde melk en omdat het perceel van 9,99 hectare niet is meegenomen bij de vaststelling, vernietigt het College het vervangingsbesluit. Het College voorziet zelf in de zaak en stelt het fosfaatrecht van appellant vast op 3.145 kg. Daarnaast krijgt appellant ook een schadevergoeding omdat de redelijke termijn voor het behandelen van de zaak is overschreden en moet verweerder het griffierecht en de proceskosten van appellant vergoeden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken