CBb 23 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:333

Artikel 23, derde en zesde lid, van de Meststoffenwet. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Fosfaatrecht. Het beroep op de knelgevallenregeling slaagt niet. Voor zover 24 februari 2014 als alternatieve peildatum moet worden gehanteerd, hebben appellanten onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze datum in direct verband staat met de bouwwerkzaamheden en de daarmee gestelde samenhangende lagere fosfaatrechten op 2 juli 2015. Ook is niet aangetoond dat op de alternatieve peildatum 18 oktober 2014 sprake is van een dergelijk causaal verband. Geen individuele en buitensporige last. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende reden voor het doen van die investeringen acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar. Dat de uitbreiding is aangegaan om het bedrijf toekomstbestendig te maken, kan niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid. Dat appellanten op termijn hebben willen omschakelen van een gemengd bedrijf met zowel varkens als melkvee naar een volledig melkveebedrijf en dat dit door de komst van het fosfaatrechtenstelsel tot op heden niet is gerealiseerd, maakt deze ondernemerskeuze gelet op de hiervoor genoemde voorzienbaarheid niet anders. Anders dan in het geval van de uitspraak waar appellanten naar verwijzen, ECLI:NL:CBB:2019:5, doen zich hier geen bijzondere omstandigheden voor die zijn aan te merken als een bedrijfseconomische noodzaak tot omschakeling van een gemengd bedrijf naar een volledig melkveebedrijf.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken