CBb 27 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:376

Appellante exploiteert twee, gescheiden bedrijven: een melkveehouderij en een varkenshouderij. Zij voert afzonderlijke boekhoudingen, doet afzonderlijk een gecombineerde opgave en telkens een deel van haar grond exclusief toegeschreven aan één van beide bedrijven. Art 1, lid 1, sub i, Msw definieert het begrip bedrijf en vertoont gelijkenis met de definitie van het begrip bedrijf in art 1, sub c, Wet herstructurering varkenshouderij, waarover het College uitspraak deed in ECLI:NL:CBB:2008:BC2480. Daaruit komt naar voren dat hetzelfde rechtssubject verschillende landbouwbedrijven (naast elkaar) kan exploiteren. De feitelijke situatie in de bedrijfsvoering bepaalt of sprake is van één of meerdere bedrijven en aan die vaststelling kunnen allerhande, voor de ondernemer gunstige én ongunstige, rechtsgevolgen zijn verbonden. De (negatieve) gevolgen van haar keuze om twee afzonderlijke bedrijven te voeren, kan appellante niet ontlopen door, nadat die consequenties tot haar zijn doorgedrongen, eenvoudigweg de tot haar varkenshouderij behorende landbouwgrond achteraf toe te schrijven aan haar melkveehouderij en, zonder enige onderbouwing, te suggereren dat de door haar over de gescheiden bedrijfsvoering gegeven voorstelling van zaken niet aansloot bij de feitelijke situatie. Het College sluit niet uit dat de ziekte van een vennoot onder omstandigheden wel invloed heeft op het aantal melkkoeien en niet op de jongveestapel. In dit geval richtte de vrouw zich op de melkveehouderij, terwijl de man zich bezig hield met de varkenshouderij. Appellante heeft niet gesteld dat in de bedrijfsvoering ieder verband tussen het aantal melkkoeien en het aantal stuks jongvee ontbrak. Hartproblemen van de vrouw waren de reden dat de veehouderij moest worden ingekrompen. Het is dan aan appellante om de feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, die inzichtelijk maken dat, zoals zij beweert, de ziekte van de vrouw wel noopte tot het terugbrengen van het aantal melkkoeien, maar geen (enkele) invloed had op het aantal stuks jongvee. Zij heeft hieraan niet voldaan. Dat appellante op 1 april 2007 geen 57, maar 72 melkkoeien hield, blijkt uit de door haar overgelegde rundveestaat. Dat aantal sluit aan bij het aantal dat verweerder zelf in zijn besluit van 19 oktober 2018 hanteerde en waarvan hij nadien, zonder adequate toelichting, is afgeweken. In de rundveestaten over (delen van) 2017 valt te lezen dat appellante op 31 maart 2007 een groot aantal melkkoeien heeft aangekocht en dat verklaart waarom het aantal melkkoeien op 1 april 2007 het aantal melkkoeien aanzienlijk groter was dan in de eerste maanden van 2007.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken