CBb 31 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:215

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m, van de Meststoffenwet Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Fosfaatrechten. Uit de begripsomschrijving in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel m, van de Msw dat grond voor de toepassing van de Msw uitsluitend mag worden opgevoerd als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond wanneer deze in het kader van een normale bedrijfsvoering bij dat bedrijf in gebruik is. Deze laatste eis brengt, zoals ook blijkt uit de wetsgeschiedenis, met zich dat appellante de feitelijke beschikkingsmacht moeten hebben over de betreffend grond, in die zin dat zij in de praktijk in staat zijn het teeltplan en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang kunnen realiseren. Appellante heeft de grond van het akkerbouwbedrijf niet opgegeven in de Gecombineerde Opgave 2015 en er zijn voldoende aanwijzingen dat het hier om verschillende bedrijven gaat: de bedrijven hebben ieder eigen activiteiten, een eigen relatienummer en een zelfstandige mestboekhouding. Ook in de jaren na 2015 is de opgave op deze wijze gedaan. De omstandigheid dat appellante en de maatschap die het akkerbouw exploiteert, deels dezelfde maten hebben en dat, zoals gesteld, de gronden op naam van J.C.W van Vilsteren staan, maakt dat niet anders. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP. Als uitgangspunt geldt dat appellante in beginsel zelf de risico’s draagt, die zijn verbonden aan haar investeringsbeslissingen en dat zij de nadelige gevolgen van een door haar genomen beslissing om uit te breiden niet kan afwentelen. In wat appellante heeft aangevoerd en gelet op het tijdsstip van de investeringen, ziet het College geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken