CBb 19 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:599
Meststoffenwet: artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m en ll; artikel 23, derde lid; artikel 33Ab; artikel 72b van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last. Het College volgt appellante niet in het betoog dat de toepassing van de generieke korting op haar bedrijf resulteert in een individuele en buitensporige last, in de zin van artikel 1 van het EP. Het College is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante de korting, anders dan andere melkveehouders op wie de generieke korting wordt toegepast, niet zelf zou moeten kunnen dragen. Dat appellante gebruik maakt van gronden in België voor haar mestafzet is daarvoor niet genoeg. Voor zover appellante ervan uit is gegaan dat zij als grondgebonden zou worden aangemerkt, heeft zij dat op eigen risico gedaan. Uit het feit dat in het kader van de mestverwerking in de Msw een uitzondering is gemaakt voor grensboeren, heeft zij niet af mogen leiden dat dit ook zou gebeuren bij de bepaling van de grondgebondenheid in het kader van het fosfaatrechtenstelsel. Dat appellante naast de generieke korting ook wordt geraakt doordat de uitbreiding van haar bedrijf is vertraagd door dierziekte leidt niet tot een ander oordeel.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 17 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:428
- CBb 3 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:389
- CBb 13 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:341
- CBb 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:2
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:3
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:5
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:6
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7
- CBb 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:522