CBb 30 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:352
- Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet - Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder ll, sub 1, van de Meststoffenwet - Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m, van de Msw - Artikel 72b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet - Artikel 1 van het EP Verweerder heeft terecht negen percelen landbouwgrond, die volgens appellante ten tijde van de in het geding zijnde periode door het melkveebedrijf aan het akkerbouwbedrijf ter beschikking waren gesteld, buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van de fosfaatruimte van appellante. Niet is aangetoond dat de melkveehouderij de feitelijke beschikkingsmacht had over de negen percelen landbouwgrond. Dat de melkveehouderij mest op de percelen heeft afgezet, maakt dit niet anders. Geen individuele en buitensporige last. Verweerder heeft terecht de generieke korting toegepast. Slechts in uitzonderingsgevallen kan het ter beschikking stellen van percelen landbouwgrond dat leidt tot een korting op het fosfaatrecht, omdat de betrokken melkveehouder daardoor niet meer grondgebonden is, een individuele en buitensporige last opleveren. Het moet gaan om een eenmalige en tijdelijke aangelegenheid waarvan de nadelige gevolgen voor de individuele melkveehouder ten tijde van het aangaan van de overeenkomst niet waren te voorzien. Appellante stelt dat de melkveehouderij in de periode van 2006 tot 2020 jaarlijks wisselende percelen aan het akkerbouwbedrijf ter beschikking heeft gesteld. Het gaat dus niet om een eenmalige en tijdelijke aangelegenheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl