CBb 22 juni 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BW9146

Art. 8:26 Awb geeft het College de bevoegdheid om tot de sluiting van het onderzoek ter zitting belanghebbenden in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen en is van openbare orde. Het College heeft KPN op haar verzoek als partij toegelaten. Die beslissing geldt echter als voorlopig. Ingevolge art. 10 lid 5 Procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2006 kan het College van een beslissing om een derde als partij aan het geding te laten deelnemen op elk moment in de procedure terugkomen. Het College beoordeelt of hij de toelating van KPN als partij handhaaft. Als regel zal de rechter een verzoek om toegelaten te worden als partij toewijzen. Art. 8:26 Awb is echter niet bedoeld om belanghebbenden als partij toe te laten die verwijtbaar verzuimd hebben om bezwaar of administratief beroep in te stellen en op die wijze art. 6:13 Awb te omzeilen. Tot het geding kan steeds worden toegelaten de derde wiens belang tegengesteld is aan dat van de eiser en die door toewijzing van het beroep in een nadeliger positie zou komen te verkeren, ook zonder dat deze derde eerst aan een bezwaarschriftprocedure of beroepsprocedure in eerste aanleg heeft deelgenomen. KPN is (net als appellante Vodafone) belanghebbende als concurrent van appellante T Mobile. Zij vraagt, anders dan Vodafone, echter niet om toelating als partij vanwege een aan T-Mobile tegengesteld belang, maar schaart zich in het hoger beroep van T Mobile aan de zijde van T-Mobile, omdat in het onderhavige geding een zelfde of soortgelijke rechtsvraag wordt opgeworpen als in een geding waarin KPN zelf als partij is betrokken. Art. 8:26 Awb is niet bedoeld om een belanghebbende de gelegenheid te bieden om zich te mengen in een rechtsgeding enkel omdat hij zelf een ander geding voert waarin dezelfde of een vergelijkbare rechtsvraag wordt opgeworpen als het geding waarin hij wenst te worden toegelaten. Het College zal daarom de toelating van KPN als partij ongedaan maken en geen acht slaan op hetgeen door KPN is aangevoerd. Tevens: De minister, gesteund door Vodafone, betoogt dat enkele beroepsgronden buiten beschouwing moeten blijven, omdat zij voor het eerst in hoger beroep te berde zijn gebracht zonder dat is gebleken van een verhindering om die beroepsgronden in eerste aanleg aan te voeren. De minister verwijst in dat verband naar rechtspraak van de ABRS. De ABRS gaat voor in de eerste aanleg door een partij gemaakte (proces ) fouten uit van een beperktere herstelfunctie van het hoger beroep dan de HR en de CRvB. Het College heeft zich met zijn uitspraak op 01 04 2004, AWB 03/320, 28200 (LJN: AQ1474) aangesloten bij de benadering van de HR en de CRvB. De uitspraak CBb, 26 05 2009, AWB 08/595 (LJN: BI5252), in het bijzonder r.o. 5.5.1 kan, zoals bij de minister is gebeurd, inderdaad een andere indruk doen ontstaan. Die indruk is echter, gelet op de uitspraak CBb, 02 02 2010, AWB 08/923 (LJN: BL5463) onjuist. In die uitspraak bevestigt het CBb helder zijn uitspraak van 01 04 2004 als hij onder 5.1 overweegt: "OPTA heeft betoogd dat deze grief tardief is aangevoerd, nu deze eerst in hoger beroep is ingebracht. Het College overweegt hieromtrent dat de grief in het onderhavige geding tijdig is aangevoerd en dat - derhalve - OPTA voldoende gelegenheid heeft gehad hierop in te gaan. OPTA heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij het voeren van verweer in haar bovenvermeld verweerschrift en ter zitting van het College. OPTA is dan ook in hoger beroep niet in haar processuele belangen geschaad." Vodafone verwijst nog naar de uitspraak CBb, 15 09 2011, AWB 09/907 (LJN: BT5887). Die uitspraak betreft een accountantstuchtzaak. De Wet tuchtrechtspraak accountants kent een eigen procesrecht en om die reden mist de uitspraak van 15 09 2011 betekenis voor de uitleg van de Awb en de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen